Van Rubens tot Mondriaan

Simon Schama: Kunstzaken. Over Rembrandt, Rubens, Vermeer en vele andere schilders. Contact, 239 blz. ƒ 49,50

Het is prettig lezen zo tussen de bedrijven door. Van die beknopte, vaak avontuurlijke geschiedenissen over het leven van kunstenaars of het verleden van kunstwerken. Ze brengen een zelfportret of een beeld zoveel dichterbij. Menig kunsttheoretisch betoog bewerkstelligt het tegenovergestelde.

Henk van Os, oud-directeur van het Rijksmuseum, kon bijvoorbeeld fijntjes uit de doeken doen hoe vijftiende-eeuwse panelen van beeldschone heiligen, nu 'museumschatten' geheten, jarenlang als tochtlatten dienst deden op Nederlandse ambassades in den vreemde. Nog steeds verbaast je zoiets als je diezelfde heiligen in het Bonnefantenmuseum in Maastricht tegenkomt.

F.L. Bastet vertelde in zijn meerdelige Wandelen door de antieke wereld over de marmeren koppen die in Londense straten werden blootgelegd, en over de Venus van Milo die een boer op het eiland Melos toevallig in 1920 in een keldertje aantrof. Er kwamen, als in een comedie van Molière, een gladde consul aan te pas, een razende monnik, en nog wat van die karikaturen, voordat Venus in Parijs werd weggeschonken. Ook dat vergeet je nooit meer, eenmaal weer oog in oog met de toen zo geschonden Venus.

Jammer, dat er niet meer van dat 'biografisch' speurwerk wordt gedaan. Want toegankelijke verhalen als deze moeten toch bijdragen aan een groter besef en bredere waardering van het Europees erfgoed. Ze zijn ook meestal vermakelijker om te lezen dan het merendeel van die keurige artikelen voor 'ons soort specialisten'. Je hoeft er soms zelfs niet voor op reis, zoals de Poolse dichter Zbigniew Herbert heeft bewezen met zijn ontroerende verhaal over de Hollandse schilder Torrentius in De Bittere Geur van Tulpen. Herberts aanleiding, dat unieke stilleven van Torrentius, hangt 'om de hoek', in het Rijksmuseum.

De titel Kunstzaken, een bundel recensies en lezingen van de Amerikaanse historicus Simon Schama, hoogleraar aan de universiteit van Columbia, belooft eveneens lichtvoetige omzwervingen in de krochten van de kunstgeschiedenis. Waarschijnlijk hoeft Schama, een van 's werelds bekendste deskundigen op het gebied van de Hollandse Gouden Eeuw, geen tafelrede meer uit te spreken of er staat een lakei klaar om zijn tekst naar de drukker te brengen. En dan ontkom je nauwelijks meer, zie de grote variatie in onderwerpen, lengte en diepgang aan een zekere willekeur. Sommige van de artikelen verschenen eerder in The New Yorker.

Hoezeer de technologie de kunsthistoricus ook van dienst is, bij lastige toeschrijvingen blijft het oog van de kenner doorslaggevend, beweert Schama in zijn openingsverhaal over Rembrandt/Not Rembrandt, destijds een tentoonstelling in het Metropolitan Museum in New York. Hij blijkt in dat betoog niet helemaal vrij van het traditionele dédain dat kunsthistorici voor restauratoren aan de dag leggen.

In de National Gallery in Washington laat Schama zich overrompelen door het overzicht van Vermeer, die schilder van 'dingen gevangen in een uitbarsting van verblindende belichting en dan weer kwijtgeraakt in het achteloze ongeduld van de tijd'. Net zo bloemrijk zijn de loftuigingen op twintigste-eeuwse, figuratieve schilders als de hier nauwelijks bekende Alex Katz, David Hockney, wiens tekeningen hij maar liefst 'een eeuwige kracht' toedicht, en de Amerikaanse superlandschapsschilder Winslow Homer, die als een 'bevlogen wildeman' de toeschouwer 'een universum binnentrekt van rauwe dierlijke handeling, van schepsels verstrikt in de meedogenloze natuur'.

Dat diezelfde geweldenaar Homer de barre winters van Maine doorbracht in Florida, dat hij geen eend kwaad kon doen en over een garderobe van een Engelse landheer beschikte, doet natuurlijk geen afbreuk aan zijn kunsthistorische reputatie. Integendeel, het is knap als schilderijen zo'n misleidend, ruig natuurmens-imago in stand kunnen houden.

De meest doorwrochte stukken in deze bundel gaan - en hoe kan het anders - over het ontstaan van het realisme in de zeventiende-eeuwse Hollandse landschapsschilderkunst en over de Antwerpse schilder/ambassadeur Peter Paul Rubens, die zich vergeefs inzette om in het religieuze en politieke diep verdeelde Europa een humanistisch internationalisme te introduceren. 'Ik zie de wereld als mijn land', schreef hij aan een Franse vriend, 'en ik geloof dat ik overal welkom zou moeten zijn'.

Het is knap hoe Schama met name bij Rubens van heden naar verleden kan terugschakelen, hoe hij zowel de loopbaan als de meesterwerken van de schilder terloops maar niet oppervlakkig aansnijdt, en hoe hij met incidenten in bijzinnen, zoals het opeten van opgehangen gevangenen, de wanhoop schetst van Rubens' minder bedeelde tijdgenoten. Daarbij ontkomt hij er niet aan, zoals ook in zijn Landschap en herinnering, om steeds weer zijn bereisdheid en eruditie overvloedig te etaleren, net zo min als hij het kan nalaten om als confetti met superlatieven te strooien.

Misschien moet Schama zich vaker laten inspireren door 'de verfgek' Mondriaan en andere abstracte meesters. Hun werk is hem net zo lief als dat van Cézanne, zo blijkt. Met dat verschil dat hij er meer staccato en ingehouden over schrijft. Je gaat waarachtig even geloven dat de Gouden Eeuw-expert tot het minimalisme is bekeerd.