Simon Wiesenthal (1908); Een zeldzaam gevoel voor rechtvaardigheid

Hella Pick: Simon Wiesenthal. A Life in Search of Justice. Weidenfeld and Nicolson, 349 blz. ƒ 77,60

Hella Pick: Simon Wiesenthal. Eine Biographie. Rowohlt, 504 blz. ƒ 70,75

De trend om in historisch onderzoek de nadruk te leggen op het grote 'grijze gebied' tussen goed en fout in de Tweede Wereldoorlog is begrijpelijk. De grote gruwelen zijn, meer dan vijftig jaar nadien, in wezen onverklaarbaar gebleven. Dat kan een goede reden zijn onderzoek te verrichten naar de motieven van de kleine collaborateurs. Naar de mensen die een beetje fout waren of een beetje te buigzaam, mensen wier geweten zweeg als zij uit joods bezit geconfisqueerde goederen of aandelen kochten omdat het materieel voordeel opleverde.

Maar het verkennen van dit grijze gebied brengt ook een gevaar met zich mee: de uiteinden van dit spectrum, waar zich wel degelijk zwart en wit bevinden, kunnen uit het zicht verdwijnen. Simon Wiesenthal bijvoorbeeld die, op enkele uitzonderingen na, altijd geweigerd heeft tijd te steken in de strijd voor materiële vergoedingen omdat hij na de bevrijding de gelofte had afgelegd de rest van zijn leven te besteden aan de nagedachtenis van de miljoenen slachtoffers van het nationaal-socialisme. Over Wiesenthal, die ernaar streefde dat zoveel mogelijk moordenaars en kwelgeesten zich voor de rechter zouden verantwoorden, heeft de Britse journaliste Hella Pick nu een biografie geschreven. Zijn compromisloze instelling heeft Wiesenthal in de loop van de jaren tienduizenden bewonderaars opgeleverd, maar ook veel vijanden die meer dan eens geprobeerd hebben zijn goede reputatie door insinuaties en beschuldigingen te vernietigen. Wiesenthal roept kennelijk een ongemakkelijk gevoel bij velen op, ook bij bewonderaars. Alleen door er te zijn, herinnert hij aan de compromissen die velen met hun geweten hebben gesloten.

Wenen

Simon Wiesenthal wordt in 1908 in Buczacz geboren, een plaatsje in Galicië dat op dat moment deel uitmaakt van de Donau-monarchie onder keizer Franz Joseph. Tijdens de Eerste Wereldoorlog sneuvelt zijn vader als reservist in het Oostenrijkse leger. Galicië valt vervolgens in handen van de Oekraïeners, die hun overwinning vieren met pogroms. Moeder Wiesenthal vlucht met haar twee zonen naar Wenen, waar zij terecht komt in Leopoldtstadt dat als een getto voor Oostjoden fungeert.

Wenen was sinds het einde van de negentiende eeuw een vruchtbare broedplaats van politiek antisemitisme. Karl Lueger werd er tussen 1895 en 1910 drie keer tot burgemeester van Wenen gekozen. Antisemitisme was steeds zijn voornaamste verkiezingsthema. Na elke verkiezing verzette keizer Franz Joseph zich weliswaar tegen de benoeming van Lueger. Maar daardoor daalde juist zijn populariteit: in Wenen begon men hem de 'jodenkeizer' te noemen.

Doelwit van dit antisemitisme was vooral de groep Oostjoden, die voor de pogroms in Wenen waren uitgeweken. Aanvankelijk sloten zelfs enige Weense joden zich aan bij antisemitische partijen. Westers georiënteerd en in hoge mate geassimileerd, keken zij in de regel neer op de meestal straatarme Oostjoden, die zij als achterlijk beschouwden en wier aanwezigheid zwaar drukte op de financiële reserves van de in meerderheid tot de middenklasse behorende Weense joden. Later waren alleen in sociaal-democratische partij joden nog welkom. Maar ook daar was het vanzelfsprekend dat men zijn joodse identiteit zo goed mogelijk verborg, het onder geen beding opnam voor de rechten van joden en zich niet uitsprak tegen het antisemitisme.

In 1917 keert het gezin-Wiesenthal terug naar Buczacz, dat door de annexatie van Oost-Galicië tot Polen was gaan behoren. In de jaren daarop is Buczacz wisselend Pools, Oekraïens en Sovjet-Russisch. Wiesenthal blijft zich desondanks als Pools staatsburger beschouwen.

Censuur

De anti-joodse numerus clausus in het hoger onderwijs in Lvov (Lemberg)dwingt Wiesenthal voor zijn architectuur-studie uit te wijken naar het kosmopolitische Praag. Daar sluit hij zich aan bij een conservatieve zionistische vereniging, een stap die hem later zou achtervolgen in de vorm van een diepgeworteld wantrouwen van de kant van Israëlische functionarissen. In 1932 keert hij terug naar Lvov om ook een Poolse graad in architectuur te behalen. Op de universiteit wordt hij niet meer dan geduld. In deze periode geeft hij een satirisch studentenblad Omnibus uit dat zich vooral richt tegen de nazi's en het antisemitisme. Zijn getekende karikaturen worden vaak getroffen door de censuur. Na de invoering van de Neurenberger wetten in Duitsland verslechtert ook de positie van joden in Polen nog verder. Als Lvov in 1939 door het niet-aanvalsverdrag tussen Molotov en Ribbentrop deel gaat uitmaken van de Sovjet-Unie, worden joden zelfs officieel tweederangs burgers. Ook Wiesenthal mag zijn beroep niet meer uitoefenen: hij gaat in een fabriek werken.

Wanneer in 1941 de nazi's Lvov bezetten, houden de Oekraïense collaborateurs gedurende drie dagen een pogrom waarbij zesduizend joden worden vermoord. Als een van de eersten belandt Wiesenthal met zijn vrouw in een concentratiekamp; het begin van een lange lijdensweg door een reeks kampen. Uiteindelijk komt hij in februari 1945 terecht in Mauthausen, waar hij op 5 mei meer dood dan levend wordt bevrijd door de Amerikanen. Desondanks biedt hij meteen zijn diensten aan bij het opsporen van nazi's. Hij maakt een lijst van 91 namen met bijbehorende rang en gepleegde misdrijven. De fysieke verzwakking - hij weegt nog maar 45 kilo - heeft zijn geheugen kennelijk niet aangetast. Nadat hij wat is aangesterkt, krijgt hij toestemming van de Amerikanen hen te helpen bij het opsporen en arresteren van nazi's, toen nog een relatief eenvoudig karwei.

Wiesenthal ontdekt al snel dat de Amerikanen een dubbele agenda hebben: zij werven gearresteerde nazi's als geheim agenten en beginnen met het smokkelen van nazi-wetenschappers naar de VS. Uiteindelijk zal Amerika tussen 1948 en 1952 zo'n tienduizend nazi's opnemen. Dit brengt Wiesenthal ertoe zijn eigen lijsten aan te leggen en zelf langs de Displaced Persons-kampen te reizen op zoek naar getuigen. Achttien maanden na de bevrijding opent Wiesenthal zijn eerste dokumentatiecentrum in Linz.

Bij de eerste tekenen van de Koude Oorlog verdwijnt de 'denazificatie' van het prioriteiten-lijstje van de geallieerden. 'De enige winnaars in de Koude Oorlog waren de nazi's', aldus Wiesenthal. En inderdaad: gesterkt door de desinteresse van de geallieerden, zien de Oostenrijkers kans om in een minimum aan tijd weer een maximum aantal voormalige nazi's op maatschappelijke sleutelposities te brengen, onder andere in het justitiële apparaat, waardoor de weinige nazi-misdadigers die zo nu en dan nog gearresteerd worden binnen de kortste keren weer op vrije voeten staan. Een schrijnend voorbeeld is de vrijlating van Franz Murer, de slachter van Wilna, die dankzij Wiesenthals inspanningen voor de Oostenrijkse rechter wordt gebracht.

Hoewel Wiesenthal in de directe naoorlogse periode samenwerkt met de Bricha die tot mei 1948 joden uit Europa naar Palestina smokkelde, raakt hij met deze organisatie in conflict over de eigen richting die ze met grote regelmaat toepast op SS-officieren. Het gaat Wiesenthal niet om wraakoefeningen, maar om openbare rechtszittingen waar de misdaden van de nazi's aan de wereld bekend moeten worden gemaakt.

Als eerste ziet Wiesenthal het belang om Eichmann voor de rechter te brengen. Hij begint dan ook al kort na de oorlog met het verzamelen van bewijsmateriaal tegen de bureaumoordenaar. Als zijn naspeuringen er in 1953 toe leiden dat hij met zekerheid kan zeggen dat Eichmann in Argentinië zit, brengt hij Israël op de hoogte. Dat land is is echter nog niet geïnteresseerd in de vervolging van nazi-misdadigers. Wiesenthal stuurt daarom een brief aan Nachum Goldmann, de voorzitter van het World Jewish Congress (WJC), om hem ervan te overtuigen dat zijn organisatie zich moet inspannen deze oorlogsmisdadiger voor de rechter te krijgen. Goldmann reageert zelfs niet op de brief. Vanaf de uiteindelijke arrestatie van Eichmann in 1960 neemt het WJC een vijandige houding aan ten opzichte van Wiesenthal, die voornamelijk gemotiveerd lijkt door een behoefte het eigen falen te maskeren.

Eichmann-proces

In 1955 stuurt Wiesenthal zijn honderd kilo wegende Eichmann-archief naar Yad Vashem, het Sjoa Dokumentatiecentrum in Jeruzalem, waar het in 1960 gebruikt zal worden bij de voorbereiding van het Eichmann-proces. In 1957 geeft David Ben Goerion, die over wat meer historisch besef beschikt dan de meeste Israëli's op dat moment, de geheime dienst Mossad opdracht Eichmann te vinden. Op aandringen van een Israëlische journalist schrijft Wiesenthal in 1961 het verslag van zijn inspanningen om de verblijfplaats van Eichmann te achterhalen. Deze publicatie brengt hem grote faam als 'nazi-jager'. En hoewel Wiesenthal eerlijk is in zijn beschrijving en zich geen groter aandeel toedicht dan hij werkelijk heeft gehad, levert dit hem ook de levenslange vijandschap op van Isser Harel, het toenmalige hoofd van de Mossad die de ontvoerings-operatie leidt. Harel sloot zich later aan bij de anti-Wiesenthal campagne van het WJC.

In 1961 verhuist Wiesenthal naar Wenen, waar hij zijn Documentatiecentrum voortzet, onder nog altijd moeilijke financiële omstandigheden. Hoewel Wiesenthal een sterk ontwikkeld gevoel voor publiciteit heeft, is hij nooit een 'fundraiser' geworden. Dit hangt waarschijnlijk samen met zijn behoefte onafhankelijk te blijven en met zijn weinig materialistische levenshouding. In de loop van de jaren zestig en zeventig slaagt Wiesenthal er in nog een aantal belangrijke oorlogsmisdadigers voor de rechter te brengen, onder wie de kampcommandant Stangl en de sadistische opzichteres Hermine Braunsteiner uit Majdanek. Daarnaast zet hij zich in voor de erkenning van zigeuners als vervolgingsslachtoffers, overigens zeer tegen de zin van de grote joodse organisaties.

Vanaf het begin van de jaren zeventig staat Wiesenthals leven in de schaduw van een zich voortslepende vete met Bruno Kreisky, de leider van de Oostenrijkse sociaal-democratische SPÖ. Als Wiesenthal kort na de formatie van het eerste kabinet-Kreisky op een persconferentie bekend maakt dat vier van de elf ministers voormalige nazi's zijn en een vijfde zelfs SS-officier is geweest, reageert Kreisky door Wiesenthal voor 'joodse fascist' uit te maken. In 1975 maakt Kreisky het nog bonter door met Friedrich Peter, leider van de ook uit voormalige nazi's bestaande FPÖ, te onderhandelen over een mogelijke coalitie. Wiesenthal beschuldigt Peter ervan gediend te hebben in een SS-eenheid die deelnam aan de massamoord op joden.

Kreisky plant zijn hakken in het zand met de aantijging dat Wiesenthal tijdens zijn gevangenschap met de nazi's zou hebben gecollaboreerd, een bewering waarvoor hij uiteindelijk na een smaadproces in 1989 zal worden veroordeeld. In het licht van Kreisky's eigen relaties met nationaal-socialisten - voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog - zijn diens beschuldigingen op zijn zachtst gezegd een 'choetspa'. Kreisky is het prototype van de geassimileerde Oostenrijkse jood. Om carrière te maken in de Oostenrijkse politiek is hij bereid samen te werken met voormalige nazi's. Om te bewijzen dat hij een loyale Oostenrijker is, neemt hij een anti-zionistische houding aan. Wiesenthal is - zijn trouw aan het jodendom, en zijn gevoel voor rechtvaardigheid - zijn tegendeel.

Oostjoden

Maar hoe schrijf je een biografie van een man die tijdens zijn leven al mythische proporties heeft aangenomen en die bovendien zulke verschillende reacties bij mensen oproept? De journaliste Hella Pick van The Guardian, ook bekend van het journalistenforum Internationalen Frühschoppen, heeft geprobeerd zoveel mogelijk aspecten van Wiesenthal te laten zien.

Het beste thuis is zij in de politiek beladen onderwerpen, de affaires en de haat en nijd tussen de verschillende joodse organisaties. Ondanks slordigheden met jaartallen en feiten geeft zij een helder beeld van de rol die Wiesenthal heeft gespeeld in het ontwikkelen van het na-oorlogse bewustzijn, uiteindelijk tot zijn grote voldoening zelfs in Oostenrijk.

De beschrijving van Wiesenthals leven voor de oorlog is echter inaccuraat. Pick, als kind uit een Oostenrijks-joods gezin kort voor de Tweede Wereldoorlog naar Engeland geëmigreerd, weet niet alleen niets over jodendom, maar is ook behept met de gebruikelijke minachting van joden uit het Duitse taalgebied jegens Oostjoden. Zij toont erg veel begrip voor de 'ontwikkeling' van Hitler in Wenen tot 'verbitterd antisemiet', die zij - ten onrechte, zoals uit vrijwel alle levensbeschrijvingen van Hitler is af te leiden - toeschrijft aan zijn confrontatie met de 'chassidische' joden in Leopoldstadt. Ook haar beschrijving van Wiesenthals achtergrond neigt naar het karikaturale: vooral het willekeurige gebruik van de term 'chassidisme' voor alles wat in haar ogen Oostjoods en dus exotisch is, toont een schrijnend gebrek aan feitenkennis.

Nog ernstiger is dat Pick de joodse ethiek, die ten grondslag ligt aan Wiesenthals denken en handelen, verkeerd interpreteert. Wiesenthals weigering om te vergeven is namelijk niet gebaseerd op de onmogelijkheid in het jodendom om een ander te vergeven, omdat alleen God dat zou kunnen. De joodse ethiek zegt alleen dat je uitsluitend iemand kunt vergeven wat hij jou zelf heeft aangedaan. Vergeven 'namens een ander', laat staan namens miljoenen anderen, is niet alleen immoreel en aanmatigend maar in wezen onmogelijk.

Het is meer dan jammer dat Hella Pick niet meer moeite heeft genomen zich te verdiepen in de achtergrond van een man die, hoewel niet-religieus, toch diep doortrokken is van de ethische traditie die deel uitmaakt van zijn joodse achtergrond.

    • Manja Ressler