Prijswinnaar schreeuwde heel zachtjes

AMSTERDAM 6 MAART. “Het boek is een beetje zwaar op de hand, maar zo'n prijs montert mij behoorlijk op.” Dat zei Wim Hofman gisteren in De Balie in Amsterdam waar hij de Woutertje Pieterse Prijs 1998 kreeg voor zijn kinderboek Zwart als inkt is het verhaal van Sneeuwwitje en de zeven dwergen.

Het nieuws over de prijs stond voor de uitreiking reeds in alle kranten omdat de schrijver het had laten uitlekken. “Iemand heeft het in zijn euforie zachtjes van de daken geschreeuwd”, zei Bregje Boonstra, voorzitter van de Stichting Woutertje Pieterse Prijs. Hofman probeerde met een ingewikkeld verhaal een archivaris in Vlissingen de schuld te geven, maar trok uiteindelijk toch zelf het boetekleed aan. “Zoals Schierbeek reeds zei: Niemand is waterdicht.”

Dat de Woutertje Pietertje Prijs dit jaar nog werd uitgereikt, was een klein wonder. Na tien jaar bekroning van literaire kinderboeken stapte de boekhandelketen Libris vorig jaar op als sponsor. Gelukkig kwam de Stichting LIRA als redder.

De elfde editie was dan ook extra feestelijk. Nicolaas Matsier verzorgde een 'causerie' over de brieven van Lewis Caroll, Hofman las enkele gewelddadige passages voor uit de bekroonde bewerking van Sneeuwwitje, en Marja Käse interviewde de winnaar.

Juryvoorzitter Liesbeth Brandt Corstius zei dat de jury dit keer weinig moeite had om tot een keuze te komen: “Het was in vijf minuten gepiept.” In het juryrapport, dat zij voorlas, staat: 'Het gaat in het oude volkssprookje, en ook bij Hofman, om de allergruwelijkste dingen - een moeder die haar kind vermoordt en die daar vreselijk voor moet boeten. En die gruwelen worden op een laconieke, vanzelfsprekende manier verteld, zonder verklaring, toelichting of stichtelijk commentaar.”

Hofman gaf na afloop toe dat het een inktzwart boek is. “Maar daar wordt in de titel voor gewaarschuwd. Bovendien is het van oorsprong een gruwelijk sprookje. Het moet zo verteld.”

Volgens Hofman gaat Zwart als inkt over 'jaloezie en de schoonheid die zo verschrikkelijk vluchtig is.' Een belangrijke plaats in het boek wordt dan ook ingenomen door de moeder van Sneeuwwitje die haar tanende schoonheid wreekt op de mooie dochter. Hofman: “T.S. Eliott vroeg zich af of de mens slechter wordt naarmate hij ouder wordt. Die moeder gaat inderdaad van kwaad tot erger. Eerst gaat haar man dood, dan krijgt ze een postnatale depressie en dan wordt ze moordlustig.”

Het is niet het eerste sprookje dat Hofman onder handen neemt. Hij deed de voorliefde voor het genre op in zijn jeugd. “Mijn vader was weg en mijn moeder las mij verhalen voor die er op in hakten.” Vooral de sprookjes waarin veel bloed vloeide, hadden zijn voorkeur. “In het echt kan ik geen bloed zien. Daarom draag ik ook een baard. Zodat ik mij niet kan snijden met scheren.”