Premier moet buitenlands beleid gaan coördineren

In het volgende kabinet moet de coördinatie van het beleid op het terrein van Buitenlandse Zaken, Defensie, Ontwikkelingssamenwerking en Economische Zaken worden versterkt door de vorming van een ministeriële vijfhoek onder leiding van de premier. Joris Voorhoeve meent dat Nederland alleen zo een rol van betekenis in de Europese Unie kan blijven spelen.

Het gaat goed met Nederland, althans economisch. De werkloosheid daalt, het tekort en de staatsschuld dalen. Er moet dus aandacht zijn voor een actief buitenlands beleid. Toch is de discussie in de Nederlandse politiek nu vooral gericht op vraagstukken van het eigen land: snellere verbindingen, beter onderwijs, meer zorg, een euro die niet voor de gulden mag onderdoen en het afremmen van de immigratie.

Naar het schijnt, is er niet veel nieuws over het internationaal beleid. Over ontwikkelingssamenwerking wordt weinig gediscussieerd. Europese eenheid laat velen koud, met uitzondering van de euro. De hervorming van defensie na de Koude Oorlog is nagenoeg voltooid; er is alleen nog discussie over de kosten. Nederland lijkt redelijk op orde en met wat bijstellingen schijnt Paars-I in juni zo in Paars-II te kunnen overgaan.

Toch is er reden voor bezinning. Niet zozeer wegens de grote post 'onvoorzien' die de partijpolitiek altijd kent. Want ook als D66 zou worden verzwakt, of de PvdA ter linkerzijde wat inboet, is er altijd wel een coalitie te vormen die een brede basis voor continuïteit in het buitenlands beleid geeft. De verschillen tussen VVD, CDA, PvdA en D66 zijn minder groot dan ze schijnen, ook al worden ze aangescherpt in de verkiezingstijd.

De vraag is eerder, of de consensus over de hoofdlijnen van het internationaal beleid van Nederland, in combinatie met de huidige concentratie op onderwerpen van binnenlands belang, de komende jaren tot rustige tevredenheid in het optreden naar buiten gaat leiden. Daar is namelijk weinig reden toe. De veranderingen in en om Europa wijzen op grote problemen in de Balkan, het Midden-Oosten, Azië en Afrika. De cruciale vraag is dus, hoe de samenhang, de effectiviteit en de slagvaardigheid van het optreden van West-Europese landen kunnen worden vergroot, en wat Nederland daarvan kan bijdragen - wie er ook in de regering zit.

In een steeds groter wordende Europese Unie, die nauwelijks institutioneel versterkt wordt, zal het risico groeien van slepend-trage besluitvorming en stagnatie, waardoor de belangentegenstelling tussen zuid, noord en oost niet kan worden overbrugd. Oost-Europese toetreders moeten erg lang op het lidmaatschap wachten. Gelukkige is de NAVO de EU vooruitgesneld door alvast drie nieuwe leden uit te nodigen.

In het veiligheidsbeleid is Europa nog steeds stuurloos. Nog altijd moet de NAVO, onder Amerikaanse leiding, voor consensus zorgen. Het hoofdprobleem is de Balkan; West-Europa heeft zelf nauwelijks een Balkanbeleid. De deelneming van de VS aan de vredesmacht in Bosnië verdoezelt dat zonder de NAVO de Europese Unie en de West-Europese Unie dit probleem niet zouden aankunnen. Als Kosovo explodeert en een nieuwe Balkanoorlog ook de veiligheid van de omliggende staten aantast, heeft de EU geen oplossing. Het kostte de WEU vorig jaar eindeloos praten om een kleine politie-adviesmissie voor Albanië van de grond te krijgen. In een ander Europees veiligheidsprobleem, Cyprus en de spanning tussen Griekenland en Turkije, weet de EU geen oplossing te bewerkstelligen.

Ook van de lang gekoesterde aspiratie, dat de EU een bepaalde vorm van ontwikkelingsbeleid voor arme landen zou kunnen brengen door samenballing van de ontwikkelingspolitiek van de lidstaten, en zo een hoofdrolspeler in de Noord-Zuidverhouding zou worden, is de afgelopen decennia weinig terecht gekomen. Een vergelijkbare opmerking treft het Europees milieubeleid. De EU is wel een handelsreus, maar op ander gebied nog steeds een traag groeiende dwerg.

De Verenigde Staten willen en kunnen niet op alle gebieden en in alle crises de leiding nemen. Washington kan een krachtiger optredende Europese Unie goed gebruiken, ondanks de belangentegenstellingen die er soms zijn. Een Europees veiligheidsbeleid binnen de NAVO en een Europees ontwikkelingsbeleid in het VN-kader, zouden de mogelijkheden om toekomstige crises te dempen of te voorkomen sterk verbeteren.

Voor een samenhangende Europese rol in de wereld is besluitvorming bij meerderheid nodig, maar op vitale punten van extern beleid is dat nog lang niet haalbaar. Geen onafhankelijk land laat andere regeringen beslissen over de inzet van de eigen militairen. Geen land boekt zijn ontwikkelingsbudget naar Brussel over. De vereiste samenhang moet dus vooral van intergouvernementele coördinatie komen. Dat kan niet zonder leiding. Er zijn vier landen in West-Europa die de status van middelgrote staat verlangen: Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië. Frankrijk en Groot-Brittannië zijn het sterkst geprononceerd. Duitsland is de grootste. Italië volgt meestal de consensus. Geen van de grote vier West-Europese landen aanvaardt dominantie door slechts één of twee anderen. En de kleinere lidstaten aanvaarden geen directorium van de groten. Dat betekent dat Nederland, gelegen tussen de grootste drie, zich er op moet richten patstellingen te helpen doorbreken. Als kleiner land kan het een makelaarsrol zoeken, door vooral aan het overleg tussen Bonn, Parijs en Londen een actieve bijdrage te leveren om partijen bijeen te krijgen. De goede banden met Washington helpen daarbij. Van belang is ook, Italië niet van ons te vervreemden en Spanje niet te vergeten, dat tenslotte groter dan Nederland is. Nederland is financieel-economisch wel een middelgroot land, maar geografisch een kleine staat, dus een soort 'middelgroot land in zakformaat'. Om met beperkte machtsmiddelen toch als actieve makelaar enige invloed uit te oefenen op de Europese, Atlantische en noord-zuid-betrekkingen, zijn een uitgekiende strategie en een professionele tactiek nodig.

Voor een extern beleid van Nederland dat Europa helpt activeren, is na 6 mei opnieuw een kabinet nodig dat in het internationaal beleid als een hecht team optreedt. De groeiende rol van de premier als coördinator van het gehele externe beleid kan zich in een volgend kabinet nog verder ontwikkelen, als aanvulling op de rol van de minister van Buitenlandse Zaken, die de primus inter pares blijft onder zijn collega's van Defensie, voor Ontwikkelingssamenwerking en de staatssecretaris van Europese Zaken. De herijking van het internationaal beleid die Paars-I heeft verricht en de vorming in 1995 van de REIA (de onderraad voor Europese en Internationale Aangelegenheden) waren goede zetten. In de nabije toekomst kunnen verdere stappen worden gezet. De REIA, die periodiek als voorportaal van de ministerraad bijeenkomt, telt circa 25 ambtenaren en bewindslieden en komt niet wekelijks bijeen. Een volgend kabinet zou er goed aan doen wekelijks een korte bijeenkomst van een buitenlandvijfhoek te houden. Onder leiding van de minister-president, met een agenda die door de minister van Buitenlandse Zaken wordt voorgesteld, zouden dan ook de bewindslieden voor Ontwikkelingssamenwerking, Europese Zaken en internationale handel de politieke hoofdpunten van de lopende internationale zaken kort kunnen bespreken. Bij internationale veiligheidsvragen dient de minister van Defensie deel te nemen, en bij internationale economische en financiële zaken de ministers van Economische Zaken en Financiën. In dit kleine verband kunnen wekelijks de politieke keuzes worden gemaakt. Dat helpt ook de verschillen op te lossen waarvan de ministers van Buitenlandse Zaken en voor Ontwikkelingssamenwerking blijk geven in hun recente dubbelinterview. Frequent overleg tussen bewindslieden die kort over de hoofdlijnen vergaderen, kan de slagkracht in de internationale politiek verder vergroten. Doel is snel het internationale schaakbord te overzien en voor Nederland de essentiële keuzes te maken die nodig zijn om als goed makelaar te kunnen optreden en invloed op grotere landen uit te oefenen.