Pistool tussen whisky en asbak

Nadine Gordimer: The House Gun. Bloomsbury, 294 blz. ƒ 49,75

Een willekeurig huis in een willekeurige Zuidafrikaanse buitenwijk, begin jaren negentig. Er wonen drie moderne, ruimdenkende vrienden (één zwart, één blank, één buitenlands), terwijl in het tuinhuisje een vierde vriend samenwoont met zijn vriendin. En in de huiskamer, rondslingerend tussen de whiskyglazen en de asbak, een pistool. Hoe moet je je anders verdedigen tegen de diefstal van je hi-fi, je televisie en computer, je horloge en sieraden, tegen een steekpartij, verkrachting, moord? The House Gun, de eerste roman van Nobelprijswinnares Nadine Gordimer sinds de vrije verkiezingen in Zuid-Afrika van 1994, is gesitueerd in een land waar geweld nog steeds wordt ingeademd als sigarettenrook.

Gordimers boeken hebben zich altijd al afgespeeld op het raakvlak van het persoonlijke en het politieke. Apartheid vormde daarvan een onvermijdelijk bestanddeel, als bepalende factor van het leven in Zuid-Afrika. Nu de apartheid is afgeschaft, zijn Gordimers onderwerpen niet wezenlijk veranderd: ze blijft schrijven over het leven in Zuid-Afrika, en het geweld en de wantoestanden die daarvan deel uitmaken. Wel lijkt ze in The House Gun het zwaartepunt te hebben verlegd van sociaal-politieke kritiek naar persoonlijke morele vraagstukken.

Het boek opent op het moment dat Claudia en Harald Lindgard te horen krijgen dat hun zoon Duncan (de jongen in het tuinhuisje) vast zit op beschuldiging van moord. Eén van zijn huisgenoten is op de bank aangetroffen met een kogel in zijn hoofd. Maar The House Gun is geen detective: Duncans schuld staat vast vanaf het begin. In plaats daarvan concentreert de eerste helft van de roman zich op de reactie van zijn verbijsterde ouders. De Lindgards beschouwen zich als weldenkende mensen die hun enige zoon hun eigen morele principes hebben meegegeven, de katholieke van Harald, en Claudia's humanistische. Hun aanvankelijke ongeloof slaat om in zelfbeschuldigingen en, tot hun schaamte, wrok jegens Duncan. Maar wanneer ze zich realiseren dat de doodstraf nog steeds in het wetboek staat, wordt hun enige gedachte 'Get him off!'

Gordimer wekt sympathie voor deze hoofdpersonen, maar levert tegelijkertijd subtiele kritiek. Harald en Claudia behoren tot die bevoorrechte klasse blanken die zich altijd immuun hebben beschouwd voor geweld. Ze werden in hun beroepen weliswaar dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van geweld (zij is arts, hij lid van de raad van bestuur van een grote verzekeringsmaatschappij), maar dat had zich evengoed op een andere planeet kunnen afspelen. Nu blijken ze opeens zelf te figureren in een sensatieverhaal uit de rioolpers. En zoals alle gewetensvolle burgers vonden de Lindgards racisme moreel verwerpelijk, maar ook weer niet genoeg om er hun carrière voor op het spel te zetten. Er is een moment van aarzeling voordat ze de zeer eminente en ervaren, maar zwarte Senior Counsel Hamilton Motsamai accepteren als advocaat van hun zoon.

Via deze advocaat komen nieuwe feiten aan het licht over de relatie tussen Duncan en de vrienden in het huis enerzijds, en zijn vriendin Natalie anderzijds, die weliswaar de moord verklaren, maar zijn ouders dwingen hun beeld van zijn leven drastisch te herzien. Harald en Claudia, die denken een goede, intieme relatie met hun zoon te hebben, komen erachter dat ze helemaal niets afweten van zijn privéleven.

Het tweede deel van de roman wordt voornamelijk in beslag genomen door de rechtszaak. Motsamai heeft niet veel speelruimte, de feiten staan immers vast. Hij laat daarom de omstandigheden van de moord een cruciale rol spelen in zijn verdediging. De Lindgards hangen aan elk woord, en ondanks de vele herhalingen die noodzakelijkerwijze optreden in de pleidooien is het fascinerend om de nieuwe interpretaties en nuances van bekende feiten te volgen.

Toch is dit alles eerder interessant vanuit een intellectueel, analytisch oogpunt, dan dat de lezer werkelijk betrokken raakt bij de zaak. Dit komt deels door Gordimers cerebrale stijl, maar ook door het soort personages dat ze van Harald en Claudia gemaakt heeft: rationalistisch, uitermate gereserveerd en afstandelijk. Zoals Motsamai het formuleert: 'Among his people (he would term it, in our culture) a mother would be wailing. And how. Why not. But these poor people, (...) middle-class whites whose codes of behaviour they are sure are enlightened and free, (...) they themselves don't know what it is to respond to what is happening to them now.'

De roman heeft daardoor af en toe iets kunstmatigs, alsof Gordimer met een klinische blik een laboratoriumexperiment beschrijft. En in deze algemene afstandelijkheid komen bepaalde stilistische hebbelijkheden van Gordimer loodzwaar over, zoals haar korte zinnetjes die afzonderlijke alinea's vormen. Aan het einde van de rechtszaak is de retoriek van de al eerder voorgekomen alinea's ('Over./ It's beginning.') verpletterend.

Gordimer verdient echter bewondering voor de manier waarop ze makkelijke oplossingen heeft vermeden. Het algemene klimaat van geweld in Zuid-Afrika heeft weliswaar de mogelijkheid geschapen voor de moord, door het de gewoonste zaak van de wereld te maken dat er pistolen in huis rondslingeren, maar het vormt geen verklaring. En hoewel de ethische aspecten van de doodstraf uitgebreid ter sprake komen, is het boek ook geen pamflet daartegen. Ergens tussen het straatgeweld en het door de staat gesanctioneerde geweld speelt zich Duncans drama af. En al komen we de feiten er omheen te weten, de daad blijft in laatste instantie persoonlijk en onbegrijpelijk: 'If they cannot understand how he could do what he did, neither does he.'