Pijn is niet voor rede vatbaar; De liefde volgens Milan Kundera

Milan Kundera: L'identité. Gallimard, 165 blz. ƒ 35,60

In mei verschijnt bij Ambo de Nederlandse vertaling onder de titel 'De identiteit'.

Het begint zoals wel vaker heel onschuldig. Jean-Marc, een voormalige skileraar die enigszins is afgegleden, en Chantal, die op een reclamebureau werkt, hebben al jaren een hechte verhouding. Allebei zijn ze van middelbare leeftijd, hij iets jonger dan zij. Eigenlijk is er weinig tot niets aan beiden te ontdekken dat ze doet verschillen van zoveel andere stellen.

Op een dag reist Jean-Marc zijn geliefde achterna, die kort daarvoor haar intrek heeft genomen in een hotel aan het strand. Ze is al naar buiten wanneer hij aankomt en hij gaat naar de zeekant om haar op te zoeken. Na enig gewandel ziet hij haar in de verte. Hij zwaait maar ze reageert niet. Pas als hij dichtbij is gekomen, realiseert hij zich met een schok dat ze het helemaal niet is. Hoe is het mogelijk dat hij zijn dierbare vriendin heeft verwisseld met een ander? Is het verschil tussen haar en andere vrouwen dan zo gering?

Kundera slaagt er goed in om die alledaagse vergissing te laten verkeren in een gevoel van beklemming. Hij weet aannemelijk te maken dat samenleven vaak is als dansen in een veel te kleine ruimte. Er is zo weinig voor nodig om het evenwicht te verstoren, dat het eerlijk gezegd een wonder is wanneer er geen faux pas wordt begaan.

Het zijn de jaren van de overgang die Chantal uit het lood slaan. De twijfel of ze nog wel aantrekkelijk genoeg is, haar weerzin tegen een lichaam dat steeds meer een eigen leven gaat leiden, al dat onbehagen verdicht zich in een zin die ze half schertsend en tegelijk diep blozend tegenover haar vriend uitspreekt na haar terugkeer van de strandwandeling: 'Ik leef in een wereld waar de mannen nooit meer naar me zullen omkijken'. Die ene zin lokt een heleboel andere zinnen uit. Zo vormen twee incidenten aan de waterkant een kiem van wantrouwen tussen de geliefden.

L'identité is Kundera's achtste roman, zijn derde sinds in 1984 De ondraaglijke lichtheid van het bestaan verscheen. Na De onsterfelijkheid (1990) en De traagheid (1995) nu dus De identiteit. Het zijn allemaal titels met een programmatische lading, en inderdaad is Kundera een auteur die over zijn eigen schouder meekijkt en zijn verhalen doorspekt met filosofische terzijdes. In deze roman zijn die gelukkig veel meer door het verhaal gevlochten dan in bijvoorbeeld De onsterfelijkheid, dat hier en daar gebukt gaat onder beschouwingen.

Bedlampje

Kundera is vaak verweten dat zijn proza door het opvoeren van een neutrale verteller te koel en observerend is. Toch werkt die klinische blik heel goed in deze roman. Zo wordt het liefdesdrama versterkt en zien we met enige distantie twee mensen die gevangen zijn in een misverstand, dat op een zeer geloofwaardige manier uit de hand loopt. Slechts in de laatste twee paragrafen treedt de verteller uit de schaduw en bedient zich van de eerste persoon: 'Ik zie hun hoofden van opzij, belicht door een bedlampje...'

Terwijl bijna alle romans van Kundera uit zeven delen zijn opgebouwd, bestaan de laatste twee uit eenenvijftig korte paragrafen. De roman leest bijna als een filmscenario. Daarin herkent men wellicht de vroegere docent scenarioschrijven die Kundera was in Praag. Afgezien van een enkele terugblik ontrolt alles zich 'onder de ogen' van de lezer. Kundera is heel goed in het herhalen van eenzelfde scène telkens vanuit het gezichtspunt van een ander personage. Zo ontstaat een relativering - het is blijkbaar mogelijk om hetzelfde te zien en toch iets heel anders te ervaren - en tegelijk een beklemming. Het misverstand over de motieven die de ander worden toegedicht is zonder einde.

Voor L'identité geldt de typering die Kundera van zijn eerdere roman Afscheidswals gaf: 'zeer theatraal, gestileerd en gebaseerd op de klucht, een vorm waarin de intrige met zijn overdreven coïncidenties alle nadruk krijgt.' Kundera zet zich af tegen de gedachte dat een klucht niet serieus zou kunnen zijn. Integendeel, het is onjuist te menen dat de tragedie en de komedie twee gescheiden werelden vormen. Kundera ziet de geschiedenis als een grap, als een aaneenschakeling van mislukte pogingen tot communicatie. Zijn biotoop is de tragi-komedie; in deze roman helt hij over naar de tragische kant.

Identiteit is in het werk van Kundera altijd onzeker en omstreden. Hij maakt vaak gebruik van persoonsverwisselingen om de betrekkelijkheid van het 'ik' te laten zien. Zelfs familie biedt geen houvast, maar wordt in L'identité voorgesteld als een groteske inbreuk op de zelfstandigheid van het individu. De voormalige schoonzuster van Chantal komt binnenvallen met krijsend en grijpgraag kroost en zet het huis op zijn kop. De linnenkast wordt door de kinderen overhoop gehaald met inbegrip van de brieven van een anonieme minnaar die daar verstopt zijn onder de bh's.

Die huisvredebreuk staat voor veel meer. Chantal heeft haar zoon verloren toen die vijf was en het is duidelijk dat de lotsbeschikking die familie heet voor Kundera niet de grondslag van identiteit kan zijn. Integendeel, tijdens een gelukkig moment met Jean-Marc voelt ze de dood van haar kind als een bevrijding van de gedwongen omgang met de wereld. Onmiddellijk wordt ze overvallen door schaamte, zoiets mag je immers niet denken, maar de oorspronkelijke emotie beklijft.

Coma

Ook in deze roman ontbreekt Kundera's ietwat gekunstelde cultuurkritiek niet. Chantal werkt bij een reclamebureau en dat is een aanknopingspunt om een samenleving te hekelen waarin de snelheid het wint van de traagheid, het beeld alle inhoud overheerst en de zelfstandigheid van het individu voortdurend wordt bedreigd. Er is geen ontsnappen aan de buitenwereld: niet tijdens het leven, maar ook niet voor de geboorte en na de dood.

Kundera confronteert de lezer in het begin van zijn roman met twee gruwelijke beelden: het ene van een geliefde die is verdwenen zonder een spoor achter te laten. Ze kan vermoord zijn, of ontvoerd of simpelweg vertrokken met een onbekende bestemming. Niemand zal het ooit weten, waardoor het leven van de achtergeblevene verandert in een wachten zonder einde.

Het andere beeld is dat van een coma die gepaard gaat met een heldere waarneming. Degene die ogenschijnlijk in een diepe bewusteloosheid is weggezonken is bij machte om te horen wat er om hem heen gezegd wordt. Tegelijkertijd zijn de zintuigen gevangen in een machteloos lichaam: het is als een nachtmerrie waaruit geen ontwaken mogelijk is.

Zo vergroot Kundera de benauwenis die de relatie van Chantal en Jean-Marc meer en meer kenmerkt. 'Ze moet hem niet de indruk geven dat ze zich bespioneerd voelt'. De geliefden draaien vol wantrouwen om elkaar heen. We zien een spel dat nog het best zou kunnen worden samengevat met die universele zin uit het songbook van de rock and roll: I was looking back to see if she was looking back to see if I was looking back at her. Het is een opeenstapeling van verwachtingen, die zelfs een vluchtig oogcontact tot een verwarrende aangelegenheid maakt.

In dat spiegelkabinet ligt de nachtmerrie als mogelijkheid besloten en daar loopt het boek ook op uit. Kundera laat de lezer achter met de vraag op welk moment de jaloezie een ziekelijke vorm heeft gekregen en is uitgezaaid in de verhouding van Jean-Marc en Chantal. Wanneer en hoe is hun spel ontspoord in achtervolgingswaan. 'De pijn is niet voor rede vatbaar': de gekrenkte mens zint op vergelding, ook al is die een verdere stap op de weg van zelfvernietiging. Alles en iedereen moet mee in de vrije val.

Chantal ontwaakt uit haar nachtmerrie en we treffen beide geliefden naast elkaar aan in bed. L'identité lijkt te eindigen in een verzoening, maar de echo van wantrouwen blijft doorklinken: 'ik verlies je nooit meer uit het oog, vanaf nu slaap ik met het licht aan'. Zo maken ze elkaars wereld nog kleiner. Het is meer dan onzeker of dat een uitweg biedt.