Ontworpen paradijzen

Carla S. Oldenburger-Ebbers, Anne Mieke Backer en Eric Blok: Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur. Deel 3 'West', Noord-Holland, Zuid-Holland. De Hef, 545 blz. ƒ 99,- (na 1 juli ƒ 119,-)

In Nederland is de natuur bezworen. Werkelijk ongerepte natuur kent ons land niet. Wat hier voor natuur doorgaat, zoals bijvoorbeeld het Naardermeer, is door mensenhanden zo geworden. Nederland is één grote tuin.

Oorspronkelijk was een tuin niet een ode aan de natuur, maar juist een bezwering ervan, zo valt te lezen in de inleiding van de Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur. In de middeleeuwen boezemde de natuur alleen maar angst in. Donder en bliksem, stormen, wilde dieren en distels en al die andere natuurlijke verschrikkingen waren de straf van God na de zondeval. Tuinen waren menselijke pogingen om het paradijs te herscheppen. Hier, in een van de buitenwereld afgesloten gebied, was de angstaanjagende natuur getemd en onder controle gebracht.

Toch kent de immense tuin die Nederland heet maar weinig internationaal vermaarde tuinen. Zoiets als Stourhead of Stowe, arcadische landschapstuinen in Zuid-Engeland, bestaat niet in de rivierendelta. Maar het gebrek aan beroemde tuinen wordt ruimschoots gecompenseerd door het aantal: de Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur zal uiteindelijk vier kloeke delen bevatten. Het eerste deel van de reeks, die is bedoeld als een uitbreiding van de eendelige tuinengids uit 1989, verscheen in 1995 en ging over tuinen en ontworpen landschappen in Noord-Nederland. Een jaar later volgde deel 2 over Oost- en Midden Nederland en op 14 maart verschijnt deel 3 over Noord- en Zuid-Holland.

Uiteindelijk zullen de vier delen informatie bevatten over niet minder dan 2.000 tuinen en landschappen. Dit ongelooflijke aantal is vooral het gevolg van de definitie van 'tuin' die de samenstellers van de gids hebben gehanteerd, namelijk 'elk toegankelijk of gedeeltelijk toegankelijk terrein dat zich door zijn bijzondere aanleg en inrichting, waarvan beplantingen een belangrijk onderdeel vormen, onderscheidt van de omgeving, uitgezonderd land- en tuinbouwgronden (tenzij behorend tot de structurele aanleg van een landgoed) en kunstmatig aangelegde of in stand gehouden natuurgebieden.' Zo komt het dat ook woonwijken als de Bijlmermeer in Amsterdam en Pendrecht in Rotterdam de gids terecht zijn gekomen, maar het Schouwburgplein in Rotterdam, dat toch is ontworpen door landschapsarchitect Adriaan Geuze, ontbreekt. Op het Schouwburgplein komen dan ook geen planten voor.

De teksten die alle 'tuinen' begeleiden, wekken de indruk van volledigheid. Van elk groengebied wordt de geschiedenis geschetst, vaak voorzien van een historische kleurenillustratie. Ook wordt iedere keer beschreven wat er nu nog te zien is, zodat de lezer zich mogelijk teleurstellende tochten naar drastisch veranderde historische tuinen kan besparen. Esthetische oordelen geven de auteurs nauwelijks: 'rustig', 'sfeervol' en 'smaakvol' zijn de adjectieven die het vaakst terugkeren. Wel worden van de meeste tuinen stilistische aanduidingen gegeven zoals 'het Nieuwe Tuinieren', 'Hollands classicisme', 'renaissance', 'functionalisme', enzovoort.

Al deze verschillende stijlen worden in chronologische volgorde uitgelegd in de lange inleiding, dat in elk deel in een iets aan de streek aangepaste versie terugkeert. Van de middeleeuwse hortus conclusus tot het niet uitgevoerde maar invloedrijke ontwerp dat Rem Koolhaas en zijn Office for Metropolitan Architecture maakte voor het Parijse park La Vilette. De hele tuingeschiedenis wordt behandeld in een inleiding die dezelfde uitgeverij binnenkort als afzonderlijk boek zal uitgegeven onder de titel De natuur bezworen. Dit gebeurt in net zulke zakelijke en neutrale bewoordingen als de teksten bij de tuinen. Slechts één keer, aan het einde van de inleiding, is er iets te merken van wrevelige kritiek. Dan omschrijven de auteurs een aantal niet nader genoemde tuin- en landschapsarchitecten als 'vormgevers die nog maar nauwelijks de eerste schreden op het tuinarchitectuurvlak hebben gezet en niet schromen om in navolging van Tschumi en Koolhaas zich voor te doen als nieuwe visionairs voor wie elke provinciestad een “nieuwe metropool” is.'

De inleiding van de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuurgids houdt niet halt bij de grens van de geschiedenis, maar werpt ook een blik in de toekomst tot 2005. De auteurs staan stil bij onder andere de nieuwe natuurgebieden waarin overbodig geworden landbouwgebieden in Nederland de komende jaren zullen worden omgetoverd. Ze komen tot de conclusie dat de houding van de Nederlanders van het twintigste-eeuwse fin de siècle precies het tegendeel is van die van de middeleeuwer. De natuur wordt niet meer buitengesloten, zoals de middeleeuwer deed met zijn tuinen, maar wordt als het ware ingesloten: 'Is de (middeleeuwse) hortus conclusus een afgebakend terrein waar door middel van cultivering het goddelijke paradijs op de natuur is herwonnen, de nieuwe groengebieden bestaan uit een afgebakend terrein waar door middel van menselijk sturen de paradijselijke natuur op de cultuurgrond is herwonnen.' Zo wordt de natuur ondergebracht in 'campi conclusi' en blijft Nederland ook in de toekomst één grote tuin.