Nog altijd veertien en vol weemoed

F. Springer: Kandy. Een terugtocht. Querido, 157 blz. ƒ 29,90

Na het pensioen, dat is bekend, bestaat de toekomst alleen nog uit herinneringen. Het is de tijd om oude brieven en foto's van zolder te halen en, bevrijd van de verplichtingen op zaak of kantoor, in het verleden te duiken. Veel van de opgebloeide aandacht voor Nederlands-Indië en de Tweede Wereldoorlog vindt hier zijn oorsprong. De dramatische momenten uit het eigen leven worden opeens een obsessie, iets wat schreeuwt om opheldering en reconstructie.

Hoe dat in zijn werk kan gaan beschrijft F. Springer in zijn nieuwe novelle Kandy, waarbij de ondertitel ('Een terugtocht') de richting aangeeft van deze zoveelste recherche du temps perdu, onvermijdelijk gekleurd door een stevige dosis weemoed.

Bij Springer is de weemoed vooral het resultaat van de naspeuringen die zijn hoofdpersoon Fergus Steyn, een zakenman in ruste, onderneemt als hem wordt verzocht op een congres enkele 'persoonlijke herinneringen' op te halen aan zijn repatriëring uit Nederlands-Indië vlak na de Tweede Wereldoorlog. Onverhoeds wordt hij geconfronteerd met een in zijn geheugen weggezakte episode, die voor hem van steeds crucialer belang wordt naarmate het verhaal vordert. 'Ik ben nooit ouder geworden dan veertien jaar', denkt hij zelfs, wanneer hij eindelijk weer oog in oog staat met de vrouw op wie hij, toen zij nog een meisje was en hij een jongen, verliefd is geweest.

Het zijn, op z'n zachtst gezegd, herkenbare gevoelens die Springer oproept. Zijn novelle moet het dan ook vooral hebben van de bijzondere omstandigheden waaronder de gemankeerde jeugdliefde van Fergus ('Taffy') voor Pamela ('Pinkie') heeft kunnen ontluiken. Na de bevrijding uit het Jappenkamp verbleven zij met hun moeders en een groepje lotgenoten in 1945 enige tijd op Ceylon, in afwachting van de hereniging met hun vaders die - als overlevenden van de Birmaspoorweg - in Bangkok waren achtergebleven.

Springer maakt veel werk van de 'geheime club' die de kinderen op de boot naar Ceylon hebben opgericht en die hen op het eiland (waar zij worden ondergebracht in het kamp 'Kandy', het vroegere hoofdkwartier van Mountbatten) doet verkeren in een gefantaseerde wereld vol niet bestaand gevaar. Middelpunt van de club is het magere meisje Pinkie; zij heeft de meeste fantasie en sleept de anderen mee in haar verzinsels.

Schokkend of spectaculair is het niet wat de kinderen meemaken, maar achteraf krijgen hun belevenissen voor de hoofdpersoon toch een ongewoon gewicht. Op Ceylon is hij niet alleen voor het eerst verliefd geworden, vlak vóór hun vertrek naar Bangkok zou hij ook hun aandoenlijke tafelbediende (bijgenaamd 'de Theekoe') met pijl en boog hebben verwond of gedood, precies op het moment waarop Pinkie hem het meest nabij was, hetgeen hun club-eed ('tot in den doet') een onbedoelde bijbetekenis geeft. Vijftig jaar na dato kwelt hem de dubbele vraag wat er precies is gebeurd.

Een advertentie biedt uitkomst en via een ontmoeting met enkele vroegere kameraadjes krijgt hij in elk geval op één van beide vragen antwoord. Of hij 'de Theekoe' heeft geraakt, blijft onopgelost, maar die verliefdheid op Pinkie is beslist geen inbeelding geweest. Sterker nog, een bezoekje aan Londen (waar zij tegenwoordig woont met haar Engelse man) verschaft hem de onuitgesproken zekerheid dat de liefde destijds van twee kanten kwam. Vandaar de weemoed, want het is ook duidelijk dat de geschiedenis niet meer kan worden teruggedraaid.

De sentimentaliteit ligt bij dit soort affaires voortdurend op de loer, zoals ook Springers hoofdpersoon heel goed beseft. 'Sentimentele flauwekul van een bejaarde zak', zegt hij tot zichzelf, als het verlangen naar Pinkie hem even te veel wordt. En meer dan eens heeft hij spijt het verleden niet met rust te hebben gelaten. Op deze manier weet Springer de zaak in evenwicht te houden, wat alleen maar verstandig mag heten, gelet op het toch wel zeer beperkte dramatische belang van Fergus' herinneringen.

Een ander bezwaar is dat de hoofdpersoon zo weinig reliëf krijgt (van zijn latere leven vernemen we alleen de hoogstnoodzakelijke feiten), waardoor zijn weemoed na het weerzien met Pinkie enigszins in de lucht blijft hangen. Ook met het tegenstrijdige karakter van de herinneringen van zijn teruggevonden kameraadjes wordt uiteindelijk niets gedaan; het leidt bijvoorbeeld niet tot onthullingen die het gebeurde in een ander, onverwacht licht plaatsen. Om veel meer dan een simpele anekdote gaat het niet, en alleen aan Fergus' particuliere perspectief ontleent die anekdote zijn betekenis.

Een novelle is bijna te veel eer voor zo'n bescheiden gegeven. Nog meer dan gewoonlijk komt het dus aan op de manier waarop een en ander wordt verteld. Dat Kandy de lezer toch een beetje weet te ontroeren, is slechts te danken aan Springers vertrouwde lichte toon en aan zijn eenvoudige doch effectieve verteltrant, die onnadrukkelijk het contrast aanbrengt tussen de volwassen zorgen van de moeders en de kinderwereld met zijn eigen besognes en avonturen.

Maar desondanks: werkelijk aangrijpend zal deze novelle, naar ik vrees, alleen zijn voor de lotgenoten van de schrijver, die zich net als zijn hoofdpersoon dagelijks moeten wentelen in 'het bodemloze graf van de pensionering - lege tijd waarin lang verleden muggen plotseling tot springlevende olifanten werden'.