Natuurlijk moet Nederlandse muziek gespeeld worden; De provinciale angst voor provincialisme

Nu staatssecretaris Nuis heeft bepaald dat de Nederlandse orkesten zeven procent van hun repertoire voor Nederlandse muziek moeten reserveren, kermt het Koninklijk Concertgebouworkest of het om een onzedelijk voorstel gaat. En een onlangs verschenen naslagwerk waardeert Nederlandse componisten alleen als navolgers van buitenlanders.

Pay-Uun Hiu en Jolande van der Klis (red.): Het Honderd Componisten Boek. Uitg. Gottmer, Haarlem & Centrum Nederlandse Muziek.

Vroeger werd de provinciaal alleen in de provincie aangetroffen en de man van de wereld in de stad. Maar nu de bekende wereld de hele aardbol omvat, blijken sommige steden ten opzichte van hun grotere zusters ineens ook in de provincie te liggen, waardoor het provincialisme er een extra trap heeft bijgekregen. Naast de oude, kleinsteedse provinciaal bestaat nu dus ook een grootsteedse die zichzelf echter het liefst als wereldburger ziet. Deze zelfbenoemde kosmopoliet kijkt neer op zijn directe omgeving, die hem veel te dorps is. Zijn maat wordt gesteld door de grote wereld. Terwijl zijn geminachte omgeving genoegen neemt met de taal en de mores van haar streek, stad of land, slaat de grootsteedse provinciaal als mededrager van een mondiale cultuur zijn vleugels uit. Toegegeven, wat die precies inhoudt weet hij net zo min als ieder ander. Maar de bijbehorende toverwoorden staan in zijn geheugen gegrift: mondialisering, internationalisering, global village. De rest droomt hij erbij. Zo ontstaat zijn wereld. Het is er een waar hij fysiek niet woont, maar waar hij in de geest naartoe is geëmigreerd, in de wetenschap dat daarginds alles grootser, overweldigender is en zoveel intenser beleefd wordt dan in het zompige moeras waar hij door een speling van het lot zijn dagen slijt.

Hoe groot is de domper wanneer de provinciaal zich in zijn geleende veren op het wereldtoneel vertoont. Onverwachts blijkt de liefde slechts van één kant te komen. Zoiets overkwam Joop van den Ende toen hij Broadway wilde veroveren met een zelfgeproduceerde Amerikaanse musical. De Amerikanen haalden er hun schouders over op omdat ze dat soort musicals zelf al hadden.

Het gebeurde ook de negentiende-eeuwse schrijver Kneppelhout die de grote Victor Hugo eens iets liet lezen dat hij in het Frans had geschreven. Hugo wierp er een blik in en raadde de Nederlander minzaam aan het eens in zijn eigen taal te proberen. Frankrijk had al een schrijver.

Een provinciaal kan nu eenmaal nooit origineel zijn, alles wat hij doet is al eerder door anderen uitgevonden.

Het militante egalitarisme van de Nederlandse samenleving maakt haar vatbaar voor allerlei provincialismen. In een consensusmaatschappij als de onze is het makkelijker en prettiger overleggen en onderhandelen wanneer er geen sprake van hiërarchie is. Vandaar dat we ons onder alle omstandigheden als gelijken jegens elkaar blijven gedragen, ook al zijn we het niet. Dat is goed voor de lieve vrede en onze dierbare compromissen. Voor alles wat uitzonderlijk zou moeten zijn, kunst, filosofie en ander heldendom van de geest, leidt het tot een zekere middelmatigheid. Een groot gebaar wordt pas geaccepteerd wanneer het publieke instemming geniet en dat gebeurt bij ons alleen maar met kleine en middelgrote gebaren. Om onze honger naar grandeur te stillen, wenden we ons gewoonlijk tot het buitenland.

Onzedelijk

Natuurlijk is onze kleinsteedsheid niet overal en altijd even virulent. Op een groot aantal gebieden meten we onszelf niet uitsluitend met buitenlandse maat. Alleen wat onze serieuze muziek betreft zijn we onverbiddelijk: die komt er bij ons niet in. Toen staatssecretaris Nuis anderhalf jaar geleden bepaalde dat de orkesten zeven procent van hun repertoire voor Nederlandse muziek moesten reserveren, moet de reactie uit de muziekwereld voor een buitenstaander verbazingwekkend zijn geweest. Het Koninklijk Concertgebouworkest kermde alsof het met een onzedelijk voorstel was benaderd. Een programmamaker van dat orkest huiverde al bij de gedachte dat hij misschien voor nationalist zou kunnen worden versleten. (De provinciaal heeft een hekel aan nationalisten omdat die voor de wereld waarop hij neerkijkt juist waardering hebben.) Een beroemde dirigent bespeurde zelfs ontoelaatbare geestdrijverij. Ook andere orkesten, die wat Nederlandse muziek betreft een iets betere reputatie hebben dan het Koninklijk Concertgebouworkest, sloegen aan. Alsof iemand hen wilde dwingen het oeuvre van Vader Abraham op het repertoire te zetten.

Daarom is het vreemd dat de componisten zo terughoudend reageerden. De reactie van de orkesten was immers een grove belediging aan hun adres? Hielden ze zich gedeisd uit angst helemaal nooit meer te worden uitgevoerd? Het zou niet de eerste keer zijn dat een Nederlandse componist tegen een boycot aanloopt. Zo heeft het Koninklijk Concertgebouworkest nog niet zo lang geleden verklaard niet van plan te zijn een werk van Matthijs Vermeulen uit te voeren.

Wat zou er gebeuren als Nederlandse musea geen Nederlandse kunst meer zouden aankopen of ophangen en Nederlandse bibliotheken en boekhandels alleen nog maar vertalingen in de schappen zouden willen hebben? De media zouden dagenlang in vuur en vlam staan. Niet alleen de kunstenaars en de schrijvers zouden het niet nemen, maar ook het publiek niet. En daarin zit het verschil met de Nederlandse muziek. Het kan de doorsnee concertganger niet zo veel schelen. Hij weet niet beter of er bestaat helemaal geen Nederlandse muziek die de moeite van het beluisteren waard is. (Nu goed dan, die van Sweelinck.) Hoe had hij het ook moeten weten, de muziek in kwestie is nauwelijks in de concertzalen te horen geweest. De orkesten, waar Nederlandse muziek provinciaals gevonden wordt en men zich zich tot hoger honing geroepen acht, hebben deze situatie gretig uitgelegd alsof het publiek geen Nederlandse muziek wil. Een bewering die aan geen enkel feit getoetst kan worden, want het publiek wordt nooit naar zijn mening gevraagd.

De oorzaak ligt misschien in de angst om buiten de grenzen niet voor vol te worden aangezien. Iemand die een symfonie van Hendrik Andriessen of Tristan Keuris op het programma zet, telt in de geglobaliseerde muziek niet mee.

Achterstand

De heftige reactie van de muziekwereld brengt ongewild aan het licht dat de kennis van de Nederlandse muziek ook in die kring weinig voor moet stellen. Met het verschijnen van Het Honderd Componisten Boek bestaat nu de mogelijkheid een deel van die achterstand in te halen. In deze bundel zijn de levensschetsen en oeuvrelijsten van honderd componisten bijeengebracht die representatief worden geacht voor de Nederlandse muziek van 1600 tot heden.

De samenstellers zijn openhartig over het ontstaan en het doel van het boek. Een functionaris van het Centrum Nederlandse Muziek, die buitenlandse radiostations afreisde om Nederlandse muziek aan de man te brengen, miste blijkens het voorwoord 'een eenvoudig naslagwerk waarin leven en werk van de belangrijkste Nederlandse componisten in kort bestek zijn beschreven'.

Daar sta je van te kijken. Men vindt het dus nodig dat het buitenland muziek van 'ons' speelt, terwijl onze orkesten die juist tegen geen enkele prijs op het repertoire willen nemen, ja daartoe zelfs door de overheid gedwongen moeten worden. Treuriger kan het haast niet.

Voor alle zekerheid: de Nederlandse componist treft geen enkele blaam voor deze potsierlijke situatie. Al eeuwenlang maakt hij door de bank genomen voortreffelijke muziek die zeer de moeite van het beluisteren waard is.

Nu laat het mij koud wat het buitenland van onze muziek vindt, maar anderen kennelijk niet. Ziehier nu twee fraaie voorbeelden van provincialisme. Als eerste de provinciaalse snob die zijn gebrek aan cultureel zelfvertrouwen maskeert met een hautaine afwijzing van wat er in zijn omgeving gemaakt wordt en zich alleen wil afgeven met de Groten der Aarde, als tweede de provinciaal die wil aantonen dat de componisten van zijn cultuur wel degelijk in de pas lopen met de grote voorbeelden uit het buitenland. Het Honderd Componisten Boek laat over dat laatste tenminste weinig twijfel bestaan.

Op enkele uitzonderingen na zijn de honderd biografietjes van deze bundel geschreven door een gezelschap van musicologen of afgestudeerden in een of andere vorm van muziekwetenschap. Alom hanteert men de modernistische geschiedsopvatting die originaliteit, vernieuwingsdrang en vooruitstrevendheid als de hoogste artistieke norm neemt. Met dit simpele model worden de toonaangevende ontwikkelingen van de Europese muziek gevolgd, waarvan de zwaartepunten afwisselend of gelijktijdig in Italië, Frankrijk, Oostenrijk en Duitsland hebben gelegen. Omdat de Nederlandse muziek in de ogen van de musicologen bij deze ontwikkelingen niet heeft vooropgelopen en daarom internationaal nooit een norm van betekenis heeft gesteld, wordt de Nederlandse componist - met uitzondering van de nog levende - de rol van navolger toegewezen. We lezen dan ook regelmatig zinnen als: 'Hij was op de hoogte van het Italiaanse geestelijke motet'. Of: 'Hoewel de stijl aansluit bij de Leipziger school...' Of: 'Michielsens beste liederen (-) sluiten stilistisch nauw aan bij de late liederen van Johannes Brahms en die van Richard Strauss'. Of: 'Fockings fluitsonates zijn geconstrueerd volgens het model van de midden-achttiende-eeuwse Noord-Duitse sonate...' Keer op keer wordt getoetst of de Nederlandse componist zich wel op tijd aan een internationaal voorbeeld heeft geconformeerd. In deze visie is voorlopen het beste - maar een voor Nederlandse componisten onbereikbaar ideaal - en in de pas lopen goed. Wie achterloopt doet niet mee.

Over de schoonheid van de muziek in kwestie zegt dit uiteraard niets.

Vloek

Citaten als hierboven dienen als bewijs van goed gedrag, waarmee vooral de oudere Nederlandse muziek van de vloek van het provincialisme moet worden vrijgepleit en de buitenlandse scepticus moet worden overtuigd: zie maar, het lijkt op iets dat u kent.

Deze voortdurende bevangenheid voor de 'eisen' van het buitenlands model geeft de kijk op de Nederlandse muziek in dit boek iets verwrongens. Nooit mag die eens zichzelf zijn, nooit mag ze een eigen karakter hebben. Altijd moet ze voldoen aan de maat van een elders uitgedacht ideaal.

Een opmerkelijk voorbeeld is de 'amateur-componist' Huygens die volgens zijn levensschets ondanks een mengeling van Franse en Italiaanse invloeden in zijn composities 'een uniek resultaat' heeft bereikt. Dat is toch mooi, zou je zeggen. Maar de schrijver vervolgt hierna: “Het mag dan ook geen verwondering wekken dat zijn muziek in de geschiedenis vrijwel uitsluitend binnen zijn persoonlijke context heeft gefunctioneerd en daarbuiten nauwelijks is opgevallen.” Het klinkt bijna als een verwijt.

Nu is er nog iets mis met Huygens. Hij is autodidact en dat is voor een componist geen aanbeveling. Wie het zichzelf heeft geleerd - de normale gang van zaken in de literatuur en niet ongewoon in de schilderkunst - zal dat de rest van zijn leven als een stigma dragen. Academische wereldjes houden nu eenmaal niet van doe-het-zelvers. Toch zijn de autodidacten niet de geringsten in de Nederlandse muziek. Huygens, Van Bree, Diepenbrock, Vermeulen, Badings waren niemands leerling. Hoewel er sinds de vorige eeuw conservatoria in Nederland bestaan, hecht de muziekwereld nog steeds aan het archaïsche instituut van het leerlingschap. In elk lexicon, en dus ook in Het Honderd Componisten Boek, kan men dan ook achter de naam van een componist de naam van zijn leermeester vinden. Daarvan raakt hij nooit los.

Wie niemands leerling is, moet dan haast wel epigoon van een der groten zijn, want zonder een autoriteit op de achtergrond gaat het niet. Zo blijkt Van Bree bijna niets zelf te hebben verzonnen. Uit zijn weinig geestdriftige biografietje komt hij naar voren als aftreksel van Mendelssohn, Field en Schubert. In zijn opera's was hij weliswaar bij de tijd - hoera! - maar liet hij zich - o wee! - door het buitenland inspireren. Men ziet, het is nooit goed. Enerzijds lopen de verzamelde auteurs van Het Honderd Componisten Boek zich het vuur uit de sloffen om aan te tonen dat de Nederlandse componisten op de hoogte waren van de internationale ontwikkelingen, anderzijds wordt de lezer telkens voorgehouden van welke buitenlander ze het allemaal hebben afgekeken. Diepenbrock, dat is Wagner en Debussy, maar nooit Diepenbrock. In zijn bijdrage lijkt men nauwelijks geïnteresseerd. Rudolf Escher heeft het van het gregoriaans, de Vlaamse polyfonisten, de vroege Monteverdi, Debussy, Mahler en Ravel. Goed dat dat nu eens is uitgezocht.

Afhankelijkheid

Er is maar één manier waarop een componist uit deze vicieuze cirkel van levenslange afhankelijkheid kan ontsnappen: ervoor zorgen een alom gewaardeerd groot voorbeeld te zijn, dat zijn invloed niet van over de grens ontvangt maar daar naartoe uitstraalt. Dat is alleen Sweelinck min of meer gelukt.

Deze academische benadering is er mede voor verantwoordelijk dat de Nederlandse muziek - ongeacht haar kwaliteit - sinds jaar en dag door de orkesten met provinciaals aandoend dédain wordt bejegend. Nee, Nederland heeft geen Brahms, maar Frankrijk ook niet en Italië evenmin. Maar Duitsland heeft weer geen Debussy of Verdi. En ook geen Diepenbrock of Louis Andriessen. Die hebben 'wij'.

Wat een wervend boek had moeten zijn dat de weetnietsen van over de grens voorgoed de kwaliteiten van de Nederlandse muziek zou inpeperen, blijkt - zeker waar het de oudere muziek aangaat - niet meer dan een verzameling met samengeknepen billen geschreven stukken. Natuurlijk kan niet iedereen zo beeldend over muziek schrijven dat ze in de geest tot klinken komt, daarvoor heb je het talent van Thomas Mann nodig, maar het had wel wat enthousiasmerender gemogen. Nu worden de componisten besmet met de schoolsheid van hun biografen en lijken ze daardoor kleiner dan ze werkelijk zijn.

Door de levensbeschrijvingen en de lijstjes met opnamen en secundaire literatuur schemert een rijke traditie van onverschilligheid en verwaarlozing. Bij de te verschijnen Engelse vertaling zal nu ook de buitenlandse lezer kunnen zien hoe Nederland met zijn componisten omgaat. Misschien zal hij wel denken: als zij er niets aan vinden, wat zal ik me dan inspannen?

De hedendaagse Nederlandse muziek is een lichtpunt. Onderdanig gekwispel voor buitenlandse voorbeelden wordt bij de jonge garde nauwelijks nog waargenomen. Je treft zelfbewuste componisten die heel goed weten wat ze willen. Wat uitvoeringsmogelijkheden aangaat zijn ze niet zo erg veel beter af dan hun voorgangers, maar zij hebben het geluk in het cd-tijdperk te leven zodat er een behoorlijk aanbod van hun muziek op de plaat beschikbaar is.

Frisia non cantat, 'In Friesland wordt niet gezongen' is een oeroude gemeenplaats. In Italië wekken wij verbazing als 'una cultura senza letteratura', een gedachte die nog niet zo lang geleden ook in Frankrijk gemeengoed was. Voor het buitenland zijn we nu eenmaal een land van schilders. Het zij zo. Laten we ieder land zijn vooroordelen over ons gunnen. Het wordt pas erg als wij er uit gebrek aan zelfvertrouwen aan meedoen en uit angst voor provinciaal versleten te worden onze muziek neerbuigend bejegenen. Het venten met onze spullen in het buitenland stemt soms onbehaaglijk. Het gaat per slot van rekening om zaken die sommigen van ons dierbaar zijn en respect verdienen in plaats van een onverschillig oor. Dan moeten ze het in het buitenland maar zonder Willem de Fesch, Daniël de Lange, Alphons Diepenbrock, Anna Cramer of Willem Jeths doen. Maar wij willen hun muziek wèl horen omdat die toch ook van ons is.

    • Allard Schröder