Nabestaanden

In het koffiehuis zat ik een kopje koffie te drinken, toen daar de Dode Interviewer binnentrad.

“Mag ik even bij je komen zitten?” vroeg de Dode Interviewer.

“Graag”, zei ik. En: “Je bent dikker geworden.”

“Ein Verstorbene darf alles fressen”, schokschouderde de Dode Interviewer op een manier die ik van hem kende.

“Hoe lang ben je nu al dood?” hoorde ik mijzelf zeggen.

“Drie jaar, maar als je dood bent, merk je daar zelf niets van”, toonloosde de Dode Interviewer.

“Je mag anders wel trots zijn op jezelf”, zei ik, “na drie jaar wordt er nog steeds uitvoerig over je geschreven.”

“Ja, dat kan Vestdijk niet zeggen!” exclameerde de Dode Interviewer plotseling met een uitbundigheid, die eigenlijk niet bij zijn toestand paste.

“Ik heb begrepen dat zijn weduwe al zijn manuscripten moet verpatsen, omdat ze niet meer van zijn royalties kan leven”, handenwreef de Dode Interviewer. “Dat doen andere weduwes beter”, voegde hij er vergenoegd aan toe.

“Hoe weet je dat allemaal”, vroeg ik, “lezen jullie in het hiernamaals kranten?”

“Nee, dat niet. Maar we hebben natuurlijk wel onze contacten.”

Het gezicht van de Dode Interviewer verstrakte en er viel even een stilte die klonk als een kanonschot. Toen klaarde hij op en zei met een lispelend lachje: “Vertel eens, hoe schrijven ze over me? Ze schrijven toch wel aardig over me? Hèhè?”

En de Dode Interviewer roerde wat onzeker in zijn kopje koffie.

“Bijna iedereen schrijft aardig over je. Je begint zowat een legende te worden. Iedereen houdt van je.”

De Dode Interviewer knipperde met zijn linkeroog. “De totale liefde”, schorde hij, “daar heb ik altijd naar gestreefd. Het is alleen verdomd zuur dat ik daar nu niet meer van kan genieten.”

“Vrij Nederland heeft het omslagverhaal aan je gewijd.”

“Wat?!” knalde de Dode Interviewer, “die kutkrant waar ik ben weggelopen, omdat ze mij er zo slecht hebben behandeld. Hebben die nu ook al aardig over me geschreven?”

“Ze hebben al je vrienden geïnterviewd. De één was nog positiever dan de ander.”

Geslagen blikte de Dode Interviewer naar een fictieve verte. “Waar heb ik dat aan te danken?” monkelde hij. “Er is toch wel iemand die al mijn beledigingen verkeerd heeft opgevat? Er loopt toch wel ergens een actreutel of een disc-jockey rond, die een hekel aan mij heeft?”

En de Dode Interviewer keek er hoopvol bij.

“Het duurde enige tijd, voordat iemand mij te binnen schoot. “Igor Cornelissen”, zei ik ten slotte, “die heeft het opgenomen voor je vader en hij vindt dat je niet toneel kon spelen.”

“Zo, vindt hij dat?” riposteerde de Dode Interviewer, “heb je hem zelf wel eens trompet horen spelen? Het was op linkse feestjes altijd politiek correct om dat bandje van hem uit te nodigen. Maar niet om aan te hóren, zo talentloos.”

De Dode Interviewer lachte zo aanstekelijk, dat het onmogelijk was niet mee te lachen. Toen hij uitgelachen was, boog hij zich voorover.

“Weet je wat het is”, fluisterde hij, “die Cornelissen is een jood zonder gevoel voor humor, wat op zichzelf ook weer heel rustgevend is, want het betekent dat joden ook maar gewone mensen zijn.”

Even versomberde de Dode Interviewer, maar niet voor lang.

“Zeg het nog één keer”, zei hij begerig.

Maar hem onmiddellijk begrijpen, deed ik niet.

“Wat moet ik nog één keer zeggen?”

“Dat iedereen van mij houdt!”

“Ja, iedereen houdt van je.”

“Echt waar?”

“Echt waar.”

En daarna verliet de Dode Interviewer het koffiehuis op schoenen die gemaakt leken van springveren.