Koud

Aan de rand van het bos, achter de braamstruik, had de sprinkhaan een winkel.

Hij verkocht jassen.

Maar er kwam nooit iemand bij hem om een jas te kopen, want het was altijd zomer en mooi weer.

Dikwijls stond de sprinkhaan treurig voor zijn winkel op de uitkijk, of hij zat midden in de braamstruik en tsjirpte schel en snerpend, zodat het leek of er een ijskoude wind woei. En soms riep hij luid: 'Koud! O wat heb ik het koud!' en sloeg met veel lawaai zijn vleugels over elkaar.

Maar niemand hoorde hem.

Hij zette een groot bord op het smalle weggetje naar zijn winkel:

HEDEN ZÉÉR KOUD

Maar niemand las dat bord.

Bijna ten einde raad schreef hij een brief aan iedereen:

Geachte dieren

U denkt maar dat u het warm hebt en dat u puft. Maar dat is geen puffen, dat is rillen!

U hebt het ijskoud!Uw zweetdruppels, die zijn van de kou. Dat wist u niet, hè? Hitte is in feite kou.

Wat u nu nodig hebt is een jas. Zonder jas loopt het slecht met u af. Dan wordt u de ijsklomp of de ijspegel. Wilt u de ijspegel zijn? Wilt u dat iedereen naar u knikt en zegt: dag ijspegel, goedemorgen ijspegel?

Jassen verkoop ik, achter de braamstruik.

Tot zo

De sprinkhaan

De zon scheen en het was midden in de zomer. Het bos kreunde en kraakte van de hitte.

Alleen de rups kwam langs en kocht een klein harig jasje. Daarna verscheen er niemand meer.

Elke ochtend zat de sprinkhaan somber voor zijn deur te wachten op sneeuwstormen en het geluid van klappertanden en rillen.

Ten slotte maakte hij een nieuw bord:

LAAT OOK MAAR

Hij hing het voor het oude bord.

Toen stapte hij zijn winkel in en deed de deur dicht.

Hij haalde alle jassen van de rekken, ging op zijn bed liggen en legde de jassen boven op zich. Ze reikten bijna tot het plafond.

Hij pufte.

Dit is puffen, dacht hij.

Zweetdruppels gleden langs zijn voorhoofd en voelsprieten, en vormden riviertjes die in watervallen op de vloer vielen, en in steeds bredere stromen naar de deur toe kronkelden.

Ze mochten willen dat ze ook puften, dacht de krekel. Hij zuchtte en schudde langzaam zijn hoofd. Meer kon hij niet verroeren.

Maar ja... dacht hij, ze moeten het zelf weten.