Jezus 2

Sjoerd de Jong spitst de problemen van het christendom in de moderne tijd toe op het 'schandaal van de particulariteit'. Het christendom gaat er immers van uit dat op één particulier moment in de menselijke geschiedenis God zelf, en met hem de waarheid, op aarde is gekomen.

Waarheid in bijbelse zin is echter nooit een abstract begrip. Het Hebreeuwse woord 'emeth' kan evengoed 'trouw' en 'bestendigheid' betekenen. Iets of iemand is 'waar' als je er van op aan kan. 'Emeth' is dus geen abstract maar een relationeel begrip: concreet en persoonsgebonden. Dit geldt eens te meer voor de waarheid als Gods waarheid. De Jong eindigt zijn artikel met de 'hoe kan-vraag': 'Hoe kan de waarheid worden vastgesteld in één gebeurtenis, die, zoals alle historische gebeurtenissen, onder andere omstandigheden even goed niet had kunnen plaatshebben?' In deze vraag is de werkelijkheid van de openbaring van Gods Naam ondergeschikt gemaakt aan de mogelijkheid van de openbaring. Het is de verdienste van Karl Barth dat hij ons opmerkzaam heeft gemaakt op het structureel onbijbels gehalte van deze voorstelling van zaken. Het is in het bijbels getuigenis immers steeds de werkelijkheid van de openbaring, die aan haar mogelijkheid vooraf gaat. Met een uitspraak van de Nederlandse theoloog Frans Breukelman: 'Het kàn niet, en toch gebeurt het!' Dit is niet alleen het antwoord op de theoretische vraag van De Jong, maar tegelijkertijd ook op de existentïele vraag van Den Heyer. Juist in deze onmogelijke mogelijkheid van een God die mens wordt, heel concreet en particulier, schuilt zijn ultieme menselijkheid die borg staat voor heil en redding.