Het vroege leven van koningin Wilhelmina; Een modern maar mysterieus symbool

Cees Fasseur: Wilhelmina. De jonge koningin. Balans, 647 blz. ƒ 85,- (geb), ƒ 59,50 (pbk)

Nederland mag dan in de twintigste eeuw grondig zijn veranderd, aan het hof is de situatie stabiel gebleven. Net als nu hadden we aan het begin van deze eeuw een monarchie die alom werd beschouwd als 'modern'. Op de troon zat, net als nu, een vrouw uit het geslacht Oranje-Nassau. Net als nu liet deze koningin zich aanspreken met 'majesteit'. Net als nu werd er door haar naasten op Veluwse wilde zwijnen gejaagd dat het een lieve lust was. En nog altijd weet het volk van de vorstin nauwelijks iets af.

Feitelijk wordt nog altijd aan slechts één van haar activiteiten - haar representatieve verplichtingen - ruchtbaarheid gegeven. De koningin als privé-persoon was en is grotendeels afgeschermd. Toen was er 'het geheim van Het Loo', nu is er 'het geheim van Huis ten Bosch'. Ook de manier waarop zij als staatshoofd concrete macht uitoefende en uitoefent, werd en wordt haar tijdgenoten niet geopenbaard. Net als nu was er toen 'het geheim van Paleis Noordeinde'. Het geheim van een 'moderne' monarchie is blijkbaar dat ze een mysterie moet blijven.

Pas sinds de verschijning van Wilhelmina. De jonge koningin deze week, het eerste deel van haar biografie, weten wij eind-twintigste-eeuwers meer van deze vorstin uit het begin van de eeuw dan haar onderdanen van destijds. Weliswaar is er al veel over Wilhelmina geschreven, maar het meeste daarvan heeft betrekking op haar rol in de Tweede Wereldoorlog. Over haar jeugd en over de eerste decennia van haar vijftigjarige regeerperiode was aanzienlijk minder bekend. Maar niet alleen daarom is dit boek een mijlpaal. Het is ook grotendeels gebaseerd op nieuw materiaal. De biograaf, historicus prof.dr. Cees Fasseur, was het als eerste vergund 'zonder restricties' het Koninklijk Huisarchief te raadplegen. Voor dit privilege zou menige vakgenoot een moord plegen, wat de vraag oproept waarom juist Fasseur, die gespecialiseerd is in Indische koloniale geschiedenis, deze eer te beurt is gevallen. In zijn Verantwoording zwijgt de auteur hierover. Spijtig, want de ontstaansgeschiedenis van het boek is evenzeer onderdeel van de geschiedschrijving van de monarchie als de biografie zelf.

Leedvermaak

Maar geïnteresseerden in de Oranjes moeten met mysteries leren leven, en Fasseur is ondanks zijn voorrecht bescheiden gebleven. Slechts één keer bezwijkt hij voor een aanval van leedvermaak, wanneer hij zijn collega C. Smit, auteur van een driedelige studie over Nederland in de Eerste Wereldoorlog en van gerenommeerde bronnenpublicaties over het buitenlands beleid, de les kan lezen. Aanleiding daarvoor is het gerucht dat de minister van Financiën in het kabinet-Cort van der Linden (1913-1918), M.W.F. Treub, in 1916 had moeten aftreden omdat Wilhelmina zijn levenswandel - hij had zich met zijn minnares in het openbaar vertoond - afkeurde. Smit had geopperd dat de koningin wel op de ministeriële huwelijksontrouw zou zijn geattendeerd door de Duitse gezant, die Treubs anti-Duitse gezindheid niet kon waarderen. 'Praatjes', heft Fasseur de wijsvinger, 'de waarheid bleek wel even anders.' Waarna hij citeert uit een brief waarin premier Cort van der Linden de koningin uitlegt dat, afgezien van politieke geschillen, veel Kamerleden zich dermate hadden gestoten aan het 'particulier leven van den heer Treub' dat hij als minister niet langer te handhaven was. Met andere woorden: koninklijke zedenmeesterij noch de Duitse gezant had Treubs vertrek beïnvloed. Over Wilhelmina's morele standaarden in het algemeen komen wij van Fasseur overigens bijna niets te weten.

Smit kan niet meer uitleggen waarom hij de Duitse gezant een rol had toegedicht; hij is in 1991 overleden. Gezien zijn reputatie was hij er echter de man niet naar om belangrijke details uit zijn duim te zuigen. Los daarvan zal het Smit misschien geen moord maar wel iets anders waard zijn geweest om dezelfde stukken te mogen inzien als Fasseur. In dat geval was ook Smit vermoedelijk tot een andere conclusie gekomen.

Deze uithaal zij de biograaf echter vergeven, wegens de hoge kwaliteit van zijn werk. Ten eerste heeft Fasseur de juiste toon getroffen: geen lakeienproza, maar een heldere, afstandelijke stijl, gekruid met ironie. Anekdotes schuwt hij niet. Uit de jaargang 1914 van het weekblad De Prins der Geïllustreerde Bladen, die in mijn bezit is, viste ik een verslag op van het bezoek dat het Deense koningspaar in mei van dat jaar aan Nederland bracht, en vergeleek het met Fasseurs versie van die gebeurtenis. De Prins was uiteraard jubelend: juichende menigten omzoomden de diverse rijtoeren; in de Amsterdamse Stadsschouwburg genoten de vorstelijke toeschouwers van een reeks muzikaal omlijste tableaux vivants; een bezoek aan de Rotterdamse haven, inclusief de lunch aan boord van een Nederlands oorlogsschip, was een succes. Fasseurs relaas, steunend op brieven van Wilhelmina en van een hofdame aan koningin-moeder Emma, gaat meer over het menselijk tekort en het kleine ongemak. De rijtoeren hadden tot onbehagen gestemd omdat de paarden voortdurend zenuwachtig waren; bovendien werd in Amsterdam helemaal niet gejuicht (in Rotterdam wel). De avond in de schouwburg was langdradig, en overschaduwd door het gejeremieer van de Deense koning dat het orkest twee keer hetzelfde stuk zou hebben gespeeld. Tijdens de drijvende maaltijd in Rotterdam was Wilhelmina zo zeeziek geworden dat ze bijna in tranen was uitgebarsten.

Belangrijker dan de petites histoires is de vraag wat Fasseur toevoegt aan het beeld dat men zich op grond van eerdere geschriften heeft gevormd van koningin Wilhelmina. Dat is het portret van een strenge, autoritaire en tegelijk wereldvreemde vrouw, die lak had aan de grondwettelijke beperkingen van haar functie, al beleed ze het tegendeel. Inderdaad rijst zelfs al uit De jonge koningin - en dan moeten de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog nog in het tweede deel aan bod komen - dit beeld weer op. Wèl heeft Fasseur deze haast tot cliché geworden typering uitgediept en in perspectief geplaatst.

Zo werkt hij de stelling uit dat Wilhelmina de eerste Nederlandse monarch was die waarlijk 'modern' mocht heten. Modern in de zin dat zij zich volledig bewust was van de twee eisen die aan een nieuwe vorm van koningschap werden gesteld. Niet langer was de koning-nieuwe-stijl een aanvoerder die streefde naar meer macht en parasiteerde op zijn onderdanen. De monarchie werd de belichaming van een nieuw maatschappij-concept, dat van een 'natie', een volk dat zich één voelde op grond van een gemeenschappelijke taal, cultuur en geschiedenis. Zeker voor de Nederlanden, vroeger een losse federatie van provincies, gewesten en machtige steden, was dit concept revolutionair.

Gelimiteerde bevoegdheden

Al spoedig werd dit begrip van de vorst als symbool van de natie-staat aangevuld met een tweede drastische hervorming: de doorbraak naar een monarch als erfelijk staatshoofd met sterk gelimiteerde bevoegdheden, vastgelegd in een grondwet. Gezien het ingrijpende karakter van deze veranderingen lijkt het achteraf begrijpelijk dat de eerste drie Nederlandse koningen die in de negentiende eeuw de troon bestegen, er slecht mee uit de voeten konden.

Willem I had helemaal geen ervaring met het koningschap, en heeft een flink deel van zijn regeerperiode zitten suizebollen na de klap van de Belgische afscheiding. Zijn zoon Willem II stierf kort na de invoering van het constitutioneel koningschap. Diens zoon Willem III kon maar niet begrijpen waarom zijn bevelen tot het beginnen van oorlogen en het executeren van ministers niet werden opgevolgd. Pas Wilhelmina was doordrongen van haar rechten en plichten als monarch-nieuwe stijl. Daarom besteedt Fasseur uitgebreid aandacht aan de scholing die de jonge aanstaande vorstin op instigatie van haar moeder Emma van Waldeck-Pyrmont ontving. Nog tot enkele dagen voor haar inhuldiging gaven de hoogleraren geschiedenis, aardrijkskunde en staatsrecht elkaar ten paleize de deurklink in de hand.

Desondanks wemelt De jonge koningin van de voorbeelden waaruit blijkt hoe Wilhelmina de hand lichtte met de grondwettelijke begrenzing van haar taak. Dat wil zeggen: zij was onconstitutioneel in haar behoefte grote delen van het beleid te bepalen, soms lijnrecht tegen kabinet en Kamer in. De middelen die zij hanteerde, vielen strikt formeel gezien wèl binnen haar bevoegdheden. Zij kon weigeren haar handtekening onder wetten en besluiten te zetten, en gokken op de slappe knieën van het kabinet. Zij kon mensen niet uitnodigen, en ze kon al gedane uitnodigingen demonstratief intrekken. Ze kon ermee dreigen de Troonrede niet te komen uitspreken, een paardenmiddel dat zij verscheidene malen heeft toegepast. Onwillekeurig vraagt de lezende staatsburger zich af hoe Beatrix omgaat met deze kist vol politieke breekijzers. Helaas, het geheim van het Noordeinde is, zoals gezegd, nog altijd het geheim van het Noordeinde. Bovendien is in het kader van Fasseurs biografie eerder de vraag aan de orde hoe Wilhelmina's staatsrechtelijke ondeugendheden zich laten rijmen met de hoge taakopvatting die ze ingestampt had gekregen.

Het siert de auteur dat hij ons daarvoor begrip bijbrengt zonder de indruk te wekken het te willen goedpraten. Hij probeert zijn onderwerp te doorgronden vanuit haar karakter en vanuit de tijd waarin zij - en niet de biograaf - leefde. Fasseur schetst Wilhelmina als een koningin wier geldingsdrang sterk werd gevoed door het gevoel zich extra te moeten waarmaken omdat ze een (jonge) vrouw was in het centrum van de macht temidden van uitsluitend (oude) mannen. Deze verklaring klinkt heel redelijk, en er zal vast iets van waar zijn. Toch overtuigt ze niet helemaal, en wel omdat in het meer dan zeshonderd pagina's dikke boek niet één voorbeeld voorkomt van een situatie waarin Wilhelmina wordt genegeerd, gekleineerd of tegengewerkt omdat ze een vrouw is. Overal daarentegen duiken stramme grijsaards op die, de borst rinkelend van de medailles, voor de jonge vrouw in het stof zijgen of van paarden vallen in hun haast om majesteit terwille te zijn. Hoe zou zij het idee hebben kunnen krijgen een eenzame kwartiermaakster van het feminisme te zijn als machtige mannen nog jaren natrilden van de ervaring haar een hand te hebben mogen geven (ze schudde haast nooit handen)? De betovering van de monarchie is werkzamer dan de man-vrouw-tegenstelling. Voor de eveneens nog jonge vrouwenbeweging had ze trouwens niet de minste belangstelling.

Plichtsbesef

Een andere verklaring lijkt mij plausibeler. Het is er één waarvoor Fasseur zelf ook de argumenten aanreikt: Wilhelmina leek gewoon op haar vader, maar nog veel meer op haar moeder. Willem III was een humeurige dwingeland, en ook Emma had een wil die er zijn mocht. Bij haar kwamen er echter nog een paar dimensies bij. Emma was een perfectioniste, net als haar dochter. Belangrijker nog was haar intense plichtsbesef, dat ze op Wilhelmina heeft overgebracht. Fasseur acht het aannemelijk dat de pas twintigjarige Emma met de tweeënveertig jaar oudere brombeer Willem III is getrouwd ten gerieve van haar ouders en haar broer en zussen, wier status (en daarmee ook de huwelijkskansen van de kinderen) steeg door hun verwantschap met een regerend vorst.

Plichtsbesef deed Wilhelmina heilig geloven in haar roeping de natie te moeten dienen. Zij stond voor het nationaal belang, dat het meest rechtstreeks tot uiting kwam in de hoeders van de nationale soevereiniteit, leger en vloot. Haar afkeer van elke vredesbeweging en haar grote belangstelling voor de strijdkrachten moeten dan ook niet worden uitgelegd als een poging haar 'mannelijkheid' te bewijzen. Veeleer werd zij gedreven door een permanente bezorgdheid om de onafhankelijkheid van de natie. Daarin had zij, oordeelt Fasseur, uiteindelijk het gelijk aan haar kant, want het kleine Nederland leefde permanent onder de dreiging te worden vermalen tussen de belangen van de Europese supermachten. Om die reden was Wilhelmina voor de Eerste Wereldoorlog koortsachtig bezig de defensiebegroting op te krikken. Objectief gezien was dat ook wel nodig: het budget was dermate afgeslankt dat Nederland 's winters onverdedigd was wegens een gebrek aan dienstplichtigen. Haar gemanipuleer om krachtige figuren op het ministerie van Oorlog te krijgen, leidde dan ook tot de meeste aanvaringen met de politiek - en met de grondwet.

Zo bracht zij al begin 1901, twee jaar na haar inhuldiging in 1898, indirect de zittende minister van Oorlog, K. Eland, ten val door hem in vertrouwen de belofte af te dwingen onder geen beding akkoord te gaan met verkorting van de diensttijd. Hoewel Eland zelf voorstander van die maatregel was, durfde hij het staatshoofd blijkbaar niet tegen te spreken. Toen de Kamer, menende de minister te steunen, voor de verkorting stemde, had Eland geen andere keus dan ontslag te nemen, 'uit loyauteit' aan de koningin, alhoewel hij dat niet hardop kon zeggen. De goegemeente begreep er niets meer van. Een volgende defensieminister, W.F. ridder van Rappard, werd door Wilhelmina onder druk gezet door van hem te eisen dat hij zich zou binden aan afspraken die zij met zijn voorganger had gemaakt. Zij dreigde weg te blijven van de opening van de Staten Generaal als uit de Troonrede geen passage werd geschrapt over de opheffing van bepaalde legeronderdelen. Zij kreeg haar zin. Maar pas in 1910, toen de Indisch oorlogsveteraan Hendrik Colijn het departement overnam, en daadkrachtig aan het reorganiseren en uitbreiden sloeg, kon de vorstin eindelijk opgelucht ademhalen.

Kan men deze koninklijke interventies nog afdoen als goed voor het landsbelang, Wilhelmina's inmenging in regeringszaken in de Eerste Wereldoorlog was dubieuzer. Zij riskeerde op het gevaarlijkste moment van de oorlog, tijdens het grote Duitse wanhoopsoffensief in 1918, een kabinetscrisis toen ze tegen de wil van bijna de hele ministersploeg weigerde de ontslagbrief voor de 'defaitistische' - maar door de vorstin vertrouwde - opperbevelhebber generaal C.J. Snijders te tekenen. Ook wilde zij de benoeming van een nieuwe gezant in Washington niet bekrachtigen, hoewel het voor Nederland van groot belang was vertegenwoordigd te zijn bij de doorslaggevende partij in de wereldoorlog. Wilhelmina voelde zich echter persoonlijk gekwetst omdat de Amerikanen beslag legden op Nederlandse koopvaardijschepen.

Ter verontschuldiging kan dienen dat ook de zenuwen van de koningin te lijden hadden gehad onder de permanente spanningen in de oorlogsjaren. Gelukkig was haar volk van alle crises en complicaties onkundig gebleven, waardoor zij voor haar onderdanen een baken in woelige baren werd. Het boek eindigt dan ook met een verslag van de massale aanhankelijkheidsbetuiging die Wilhelmina in november 1918 op het Haagse Malieveld ten deel viel, nadat de poging van de socialist Pieter Jelles Troelstra de revolutie uit te roepen, was mislukt.

Wat Fasseur uit zijn hoofdstuk over de oorlogsjaren heeft weggelaten, is de extra reden waarom Wilhelmina zich in die tijd onder grote druk voelde staan. Haar huwelijk met de van oorsprong Duitse hertog Hendrik van Mecklenburg verslechterde na 1914 dramatisch, omdat de prins-gemaal zich steeds pijnlijker ging misdragen. Naar de reden voor deze omissie van de biograaf kunnen we slechts gissen. Mogelijk heeft hij dit delicate onderwerp opgeschoven naar het tweede deel, om tijd te winnen. Daarop wijst het weinige dat hij in dit deel over Hendriks zonden te melden heeft, en dat een zwabberende indruk maakt. Over Hendriks seksuele affaires en de daarop volgende chantagepogingen heeft de historicus Loe de Jong in deel 9 van zijn Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog als eerste een boekje opengedaan. Om de genante en kostbare escapades van haar echtgenoot te beteugelen, nam Wilhelmina begin jaren twintig de Haagse hoofdcommissaris van politie F. van 't Sant in de arm. Uiteindelijk groeide de zaak zelfs de capabele Van 't Sant boven het hoofd, en ontstond een affaire die haar repercussies nog tot ver in de Tweede Wereldoorlog zou hebben.

Hendrik-connection

Hier lijkt Fasseur het belang van de Hendrik-connection voor de geschiedenis te willen relativeren. Hij doet een schampere uitval naar de schrijvers van het in 1982 verschenen boek Van de prins geen kwaad, Hugo Arlman en de auteur van deze bespreking, omdat zij voor het reconstrueren van Hendriks stormachtige levenswandel gebruik hebben gemaakt van de ongepubliceerde memoires van Hendriks jachtvriend mr. E.B.F.F. Wittert van Hoogland en Emiclaer. Een 'troebele bron', oordeelt Fasseur, omdat Wittert volgens hem een gestoorde, 'ja psychopatische persoonlijkheid' had, en bovendien later in zijn leven sympathiserend lid van de NSB werd.

Fasseur probeert hier dus, als in een Amerikaans courtroom drama, het belang van een getuige in een specifieke zaak - Hendriks gedrag - te ondermijnen door diens algemene geloofwaardigheid in twijfel te trekkken. Dat laat de vraag onverlet hoe betrouwbaar Witterts verklaringen op concrete punten zijn. Op blz. 272 verwijt Fasseur de twee auteurs van Wittert 'als vaststaand feit' te hebben aangenomen dat de prins-gemaal aan een geslachtsziekte, vermoedelijk syfilis, leed. Op blz. 327 echter stuit Fasseur op cryptische brieven van Wilhelmina aan haar moeder. Daaruit valt af te leiden dat zij er zojuist achter is gekomen dat haar man in de dure boskliniek Hohemark bij Frankfurt am Main voor nog iets heel anders wordt behandeld dan voor reumatiek.

Gedetailleerd, en verlucht met fotootjes, zijn Witterts herinneringen aan een gezamenlijke vakantie met de prins-gemaal in Zwitserland in 1916. Zijn verhalen over Hendriks 'talrijke ontmoetingen' met vrouwen tijdens die reis zijn consistent met wat over soortgelijke avonturen uit andere bronnen bekend is geworden. Eén van die bronnen is, merkwaardig genoeg, Fasseur zelf. Op blz. 271 maakt hij melding van een Oostenrijkse architect, die in 1904, jaren voordat Wittert de prins zou leren kennen, tegenover de politie heeft verklaard in de trein van Den Haag naar Amsterdam een gesprek te hebben afgeluisterd tussen twee Hongaars sprekende mannen. Ze wilden Hendrik chanteren met brieven die hij had geschreven aan een 'demi-mondaine' (een prijzige hoer). Fasseur is hier duidelijk nog niet uit.