Het verval gekoesterd

A.G. Schulte (red.): Ruïnes in Nederland. Waanders/Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 333 blz. ƒ 69,50

Ruïnes maken op verschillende manieren deel uit van het cultuurlandschap. Ze vormen markante punten in de stad en op het land, of dienen als centrale blikvanger in speciaal daartoe aangelegde landschapstuinen. Maar de meest bijzondere en meest volledige integratie van ruïne en landschap doet zich voor als de architectonische bouwval versmelt met de natuur: als er vogels broeden en vleermuizen overwinteren; vooral ook als de overwoekering bestaat uit de vegetatie van een rotslandschap. Dat is een van de redenen waarom ruïnes zulke speciale eisen stellen aan behoud en restauratie, zoals blijkt uit de rijk geïllustreerde bundel waarin de Rijksdienst voor de Monumentenzorg voor het eerst systematisch en inhoudelijk de aandacht vestigt op de ruim tachtig ruïnes die in Nederland zijn geregistreerd.

Meer dan de helft van het boek bestaat uit een catalogus met beknopte beschrijvingen van de geschiedenis, het verval en de eventuele restauratie van die Nederlandse ruïnes. De samenstellers hebben ervoor gekozen alleen gebouwen op te nemen die langer dan vijftig jaar geleden tot ruïne zijn vervallen. Je weet het immers maar nooit: hoe recenter de ruïne, hoe groter de kans op reconstructie en herbouw. Daarom maakt een ruïne als die van de Broerenkerk in Bolsward, die in 1985 is afgebrand, geen deel uit van de selectie. Had die kerkruïne wel voldaan aan het anciënniteitscriterium, dan had ze de eer van de noordelijke provincies hoog gehouden, want op de plattegrond waarop de Nederlandse historische ruïnes zijn aangegeven, valt het op dat er daarvan in Groningen, Friesland en Drenthe geen enkele meer bestaat. De meeste resten van kastelen, adellijke huizen, kerken en kapellen zijn te vinden in het midden en zuiden van het land: vooral in Limburg en Gelderland, in het stroomgebied van Maas, Waal en IJssel.

De inleidingen die aan de catalogus vooraf gaan, belichten ruïnes vanuit uiteenlopende gezichtspunten. Zo komt de manier aan de orde waarop critici, restauratie-architecten en monumentenzorgers in de loop der tijd zijn omgegaan met ruïnes. Even lezenswaardig zijn de bijdragen over het beeld van de ruïne in de literatuur en de schilderkunst - een thema waaraan vorig najaar als smaakmaker voor deze bundel al een tentoonstelling werd gewijd in de Nijmeegse Commanderie van Sint-Jan. Daar dook, tussen de voorstellingen van ruïnes, het verschijnsel van de folly op; en ook in dit boek wordt daarop ingegaan, in een bespreking van ruïnes in landschapstuinen. Follies, bouwwerken met geen andere dan een decoratieve functie in de tuin- of parkaanleg, zijn vaak als ruïne ontworpen. Maar met het verstrijken van de tijd wordt het verschil tussen een echte en een folly-ruïne steeds kleiner. In de catalogus worden dan ook enkele bouwvallige follies besproken. Waarom daartoe ook de folly 'Oud Pollanen' in Monster wordt gerekend, is onduidelijk: weliswaar is bij de bouw ervan gebruik gemaakt van opgegraven kloostermoppen uit het muurwerk van het kasteel dat ooit op die plaats stond, maar de folly zelf is pas in 1985 opgetrokken.

De bijna symbiotische relatie tussen landschap en ruïne vormt het thema van een artikel van N.C.M. Maes. Daarin beschrijft hij de onvermijdelijke vleermuizen en muurhagedissen die ruïnes vaak een zo eigen karakter geven, en inventariseert de gewassen die gedijen op bouwwerken. Uit dit artikel blijkt dat begroeiing van oude ruïnes niet alleen voor een pittoreske aanblik zorgt. Tevens speelt zij een rol in het behoud tegen verder verval. Want anders dan je zou denken is begroeiing met klimop, grassoorten en muurplanten - en zelfs een plant met de weinig vertrouwenwekkende naam 'steenbreekvaren' - lang niet altijd schadelijk voor een bouwwerk. Vaak draagt de vegetatie juist bij tot behoud: versleten muurwerk heeft vooral veel te lijden van vocht en bevriezing - waardoor water in spleten of poreuze steen uitzet met alle desastreuze gevolgen van dien. Struiken en planten kunnen daar juist tegen beschermen. Ook mos en gras dat groeit op verbrokkelde bovenzijden van muren beschermt tegen weersinvloeden.

De nadruk die deze bijdrage legt op de beschermende rol die gewassen voor ruïnes kunnen spelen, duidt al op de ambitie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg om ruïnes zoveel mogelijk te bewaren in de staat waarin ze verkeren. Toch wordt veel werk gemaakt van de formulering van de dilemma's waarvoor de monumentenzorger zich ziet geplaatst. Ruïnes zijn nu eenmaal gevormd door de inwerking van de tand des tijds - die de vorm kan aannemen van gestaag natuurlijk verval, of abrupte verwoesting door natuurgeweld of mensenhand.

Voorbeelden van ruïnes die al dan niet historisch verantwoord zijn hersteld of gereconstrueerd, zijn er genoeg - en de meest saillante voorbeelden keren meerdere malen terug in de verschillende bijdragen. Zo is er Kasteel de Haar in Haarzuilens, waarvan P.J.H. Cuypers de ruïne omtoverde tot een neogotisch praalslot. En aan de resten van de kapel van Sint-Walrick in Overasselt is in de loop van deze eeuw zoveel geprutst dat er van de oorspronkelijke ruïne nauwelijks meer iets over is. In de verschillende bijdragen in de bundel klinkt onverholen kritiek op deze manier van omgaan met ruïnes. Maar het andere uiterste - de tand des tijds ongehinderd laten doorknagen - bevredigt blijkbaar ook niet. In het geval van de ruïne van het in 1899 grotendeels gesloopte kasteel Swanenburg in Gendringen, heeft dat in korte tijd tot een verval geleid dat in de catalogus 'zonder meer schokkend' wordt genoemd. Op een foto uit omstreeks 1900 is een lage toren met een spits te zien, die al in 1948 blijkt te zijn gereduceerd tot een bouwval zonder dak. Tegenwoordig resteert nauwelijks meer dan een vormeloze hoop stenen.

Een precieze formulering van de oplossing voor het dilemma wordt in deze bundel niet gegeven. De bijdrage van R.J. Wielinga komt er nog het dichtst bij: daar heet het dat ruïnes moeten worden geconserveerd 'zoals de tand des tijds ze heeft achtergelaten'. Maar direct voegt hij eraan toe dat voorzichtig en terughoudend zou moeten worden ingegrepen: 'Waarschijnlijk is het de beste oplossing om het verval, eventueel vertraagd, dus binnen bepaalde marges, vrij spel te geven'. De natuur mag zijn gang gaan, zij het gecontroleerd. Daar ligt een taak, niet alleen voor de bouwkundig monumentenzorger, maar ook voor de tuinman.