Het dubbele landschap; Reizen in een veranderend Nederland

Geert Mak: Het ontsnapte land. CPNB/Atlas, 56 blz. ƒ 4,95

Joseph Taylor: A Relation of a Voyage to the Army. In Several Letters From a Gentleman To His Friend In the Year 1707. (bezorgd door C. D. van Strien) Academic Press Leiden, 143 blz. ƒ 25,95

Antoine-Ignace Melling: Brieven uit Holland en de Hanzesteden. De briefwisseling van een reizend kunstenaar met zijn familie in 1812 (met inleiding en aantekeningen van C. Boschma). Fondation Custodia/Waanders, 512 blz. ƒ 75,-

Charles de Coster: Zijn vrouw zet bloedzuigers. Een reis per trekschuit door Holland. (vert. K.J.A. Janson) Wereldbibliotheek, 131 blz. ƒ 24,50

Wiepke Loos, Robert-Jan te Rijdt, Marjan van Heteren e.a.: Langs velden en wegen. De verbeelding van het landschap in de 18de en 19de eeuw. Catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in het Rijksmuseum. V+K Publishing/Inmerc/Rijksmuseum, 384 blz. ƒ 75,-

Nederland is een kneedbaar land. Eeuwenlang is het gevormd naar de wensen van de bewoners. Het is opgehoogd en afgegraven, bepolderd en onder water gezet, bebaggerd, bebouwd, herkaveld en doorsneden door sloten, kanalen, wegen en rails. En daarna altijd weer keurig aangeharkt. Functioneel gebruik, zou men kunnen zeggen, exploitatie klinkt al iets dreigender, maar roofbouw of verkrachting zijn tegenwoordig adequatere termen.

Het merkwaardige is, dat ondanks die permanente manipulatie door de mens dit land zowel door de inwoners als door buitenlanders altijd is bewonderd, niet alleen om het technische vernuft waarmee het te lijf is gegaan, maar ook om zijn esthetische kwaliteiten. Men keek er graag naar, men tekende en schilderde het en roemde het in proza en poëzie. Kennelijk bestaat er een esthetica van het Nederlandse landschap die ondanks alle veranderingen universeel is gebleken.

Die bewondering bestaat nog wel, maar is tanende. De veranderingen gaan te snel, zijn te grootschalig en zijn bovendien onherstelbaar. Veranderingen vallen vooral op bij mensen die een paar jaar het land zijn uitgeweest en weer terugkeren. Ook kunnen ze opvallen bij de bestudering van oude reisbeschrijvingen, en helemaal wanneer men zo'n reis zelf overdoet: het zogeheten 'herreizen'. Dat is de methode die Geert Mak hanteert in het 'boekenweekessay', zijn kleine reportage van een reis in een motorbootje door Noord- en Zuid-Holland. Hij reisde de route na die zijn vader op twaalfjarige leeftijd in 1912 gemaakt moet hebben op een beurtschip van diens oom. Vader Mak vertelde kort voor zijn overlijden de zoon flarden uit zijn leven, waaronder herinneringen aan de riviertocht. Met behulp van die herinneringen, oude stafkaarten, foto's en een dagboekje van een andere beurtschipper, reconstrueerde Mak de reis: van Schiedam via Rotterdam, Leiden, Haarlem, Amsterdam naar Zaandam en terug. Het is een sentimental journey geworden waarin beelden van 1912 worden afgewisseld met die van 1997, in een kalme, neo-nesciaanse stijl.

Trekvaart

Geert Mak tufte in het plastic motorscheepje De kleine olifant door het Hollandse land en zag wat er in die 85 jaar allemaal veranderd is, en een heel enkele keer wat nog hetzelfde is gebleven. Veranderd is de wijdsheid van het landschap, en de herkenbaarheid van de steden. Nog in 1912 herkende men de stad of het dorp van verre aan zijn silhouet. Nu ontmoet men eerst opgespoten land, dan voorbereidingen van stadsuitbreidingen, vervolgens nieuwbouw, oudere nieuwbouw en dan pas de oude kern van het dorp of de stad, of wat daarvan over is.

En dat overal. Het gebied tussen de oude steden in de Randstad is gevuld met buitenwijken en bedrijfsterreinen. Het plattelandsleven is er gedoemd geheel te verdwijnen. In plaats van het klassieke en vruchtbare spanningsveld tussen stad en platteland, aldus Mak, is er een vage tussenvorm ontstaan, de 'plaats' of de wijk, een modern verblijfsgebied dat weinig meer van doen heeft met het klassieke dorpsleven, maar dat ook de essentie van de stad mist. Het woord 'verstedelijking' vindt hij dan ook misplaatst. Het zijn anonieme woongebieden die allemaal onderling uitwisselbaar zijn. Wat Mak beschrijft is de polderversie van de Amerikaanse urban wastelands.

Het land waardoor hij reist is de afgelopen vijftig jaar meer veranderd dan in de vier eeuwen daarvoor. Sporadisch stuit Geert Mak nog op 'een klein gat in de tijd', zoals in Leidschendam. Dat is de wereld van zijn vader als kleine broekenman: 'de krullerige lantaarnpalen, het sluiswachtershuisje, de houten banken, de mannen die hun brood zitten te eten, hoestend in de ochtendnevel'.

Het is een dubbel landschap waar Mak doorheen vaart. Door zijn kennis, zijn documentatiemateriaal, zijn oog voor het oude ziet hij Holland zoals het geweest moet zijn. Maar één klap tegen het hoofd en je bent weer bij de les en sta je, hoewel op precies dezelfde plaats, in het heden en zie je niets anders dan nieuwbouw, auto's en beton.

Wat is gaan ontbreken is de geschiedenis, de continuïteit van het land. Het valt Geert Mak op dat iedere vorm van verval ontbreekt en dat wat werkelijk oud is, grondig is gerestaureerd. 'Het moderne Nederland', aldus Geert Mak, 'is een land geworden vol valse nostagie'.

Mak beschrijft het landschap naast zijn hoofdroute. Hij loopt wel eens een stad in en vergelijkt die met wat zijn vader en zijn oudoom gezien moeten hebben. Daarin wijkt hij niet af van wat die honderden en honderden schrijvende reizigers door Nederland vóór hem hebben gedaan. Ook zij bezochten het Westen van het land, en daarin de belangrijkste steden, en keken intussen naar wat er zich zoal aan beide zijden van de straatweg of de trekvaart bevond. Dat beoordeelden ze onveranderlijk als mooi. Neem Joseph Taylor, een Londense jurist van achter in de twintig, die in 1707 twee maanden door de noordelijke en zuidelijke Nederlanden reisde. Hij schreef daarover brieven aan een neef die keurig bewaard zijn gebleven in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel. Heel uitvoerig en origineel is Taylor niet, maar toch is het aardig dat zijn brieven nu zijn uitgegeven. Hij schrijft vooral over de steden die hij bezoekt, maar tussendoor treffen we toch observaties aan over het landschap. Hij merkt op dat 'neat villages with fine avenues and canals all along made the prospect very agreable'. En die woorden keren steeds terug. De Nederlandse steden zijn alle 'neat', de kanalen zijn 'pleasant', het uitzicht is 'charming' en er zijn volop 'fine gardens'. Wat hem treft is het profiel van de steden en dorpen en, grenzend aan de trekvaarten, de landhuizen met hun tuinen en de weilanden vol koeien. Clichématiger kan het haast niet, maar een cliché hoeft geen onwaarheid te zijn.

Departementen

Met een verwante blik kijkt zo'n honderd jaar later de Fransman Antoine-Ignace Melling naar het Nederlandse landschap. Melling (1763-1831) was een topografisch tekenaar die het plan had opgevat de belangrijkste steden van het Napoleontische keizerrijk te vereeuwigen. Elk van de 130 departementen zou met drie of vier grote platen bedacht worden in een platenalbum met de titel Galerie francaise d'architecture. In 1810 was Nederland opgenomen in het keizerrijk en onderverdeeld in zeven departementen, wat hier dus zo'n kleine dertig prenten moest opleveren. Melling maakte preciese tekeningen en brede panorama's van steden. Zijn reis was geslaagd, maar tot uitgave van het boek is het nooit gekomen. Napoleon kwam ten val en het keizerrijk viel met departementen en al uiteen.

Enkele jaren geleden verscheen over Mellings werk een boek bij een tentoonstelling in het Rijksprentenkabinet. De bezorger van dat boek, C. Boschma, ontdekte in 1994 zeventig brieven die Mellling tijdens zijn reizen naar huis schreef en dertien brieven die hij ontving van zijn familie. Ze werden aangekocht door de Fondation Custodia in Parijs, die ze nu tweetalig en rijk geannoteerd heeft uitgegeven in een fraai editie.

Mellings route lag vast en in elke stad maakte hij zijn opwachting bij de prefect die hem de belangrijkste locaties in de desbetreffende stad aanwees. Vervolgens moest Melling een geschikt punt vinden vanwaaruit hij een zo breed en informatief mogelijk gezicht op die stad had. Hij trof het niet in die zomer van 1812. Als reiziger en professioneel tekenaar hing zijn succes af van de weersomstandigheden. Maar er is geen brief of hij klaagt over het weer. Het regent, het stormt of er hangt een dikke mist en net heeft de tekenaar zich geïnstalleerd met stoeltje, ezel en parasol of er steekt weer een krachtige bries op. Maar ondanks zijn zakelijke, topografische benadering van de steden en ondanks het ellendige weer raakt toch ook hij bewogen door wat hij aan platteland ziet. Hij is er zelfs in het begin verrukt van ('le pays est delicieux et ressemble à un veritable Jardin d'Italie'), maar later begint het hem te vervelen omdat het zo vlak en uniform is.

Zo'n driekwart eeuw later reisde de Belgische Franstalige schrijver Charles de Coster door Noord- en Zuid-Holland. De Coster is het meest bekend geworden door zijn boek Tijl Uilenspiegel, maar hij deed ook journalistiek werk. Zijn reis door Nederland maakte hij in opdracht van het tijdschrift Le Tour du Monde, en zijn verslag is dus eigenlijk een reisreportage. Het is nooit voltooid omdat De Coster al in 1879 overleed.

De Coster heeft een montere toon. Ook hij bewondert Nederland. Ook hij ziet schone dorpen en grazige weiden. Maar er is wel iets veranderd. Waar Taylor en Melling nog vol ontzag de tekens van de Gouden Eeuw bezagen, ziet De Coster ook het verval. De negentiende eeuw is één lange sloopepoche geweest. Landhuizen, kastelen, stadsmuren en stadspoorten, hele woonwijken werden gesloopt. Maar daaraan vooraf ging het verval, en verval heeft twee gezichten. Het is een bron van ergernis, maar ook aanleiding tot overpeinzingen en zelfs tot esthetisch bewondering. De steden, schrijft De Coster, zijn nog maar schimmen van wat ze ooit moeten zijn geweest. Wanneer hij in de buurt van Den Haag een schilderachtige bouwval bewondert, raakt hij in gesprek met een bankier die hij al eerder had ontmoet en die hem uitlacht om zijn bewondering. Dat is maar onzin. Jullie dichters, schrijvers, zoekers naar emoties en impressies, realisten, naturalisten, zegt hij, jullie houden ons voor wat mooi is. Maar als u een gedicht over deze krotten wilt schrijven, dan moet u haast maken want we gaan hier een handelshaven aanleggen. Er wordt daarna flink gelachen, maar toch is dat gesprek kenmerkend voor deze jaren. Het is precies de periode waarin Victor de Stuers zijn bezorgdheid over de gewetenloze afbraak van het cultureel erfgoed naar buiten bracht en zijn bekende aanklacht Holland op zijn smalst publiceerde in De Gids.

Die waardering in vroeger tijd van schilders en tekenaars, dichters en reizigers, werd niet opgewekt door 'de natuur', door een ongerept stuk van de aardbol. Men bewonderde juist het cultuurlandschap, het kneedwerk der Nederlanders met zijn typisch Nederlandse elementen: de polders, de sloten, de kanalen, de weilanden met de koeien, de tuinen, de boomgaarden en aan de horizon een dorp of een stad met een kerk, stadswallen en poorten, de molens en landhuizen. En in de steden bewonderde men de netheid, de bestrating, de bomen langs de grachten of de rivieroevers. En daarboven dan weer een onwaarschijnlijke, schilderachtigehemelkoepel met altijd bewegende wolken. 'Schilderachtig', dat is natuurlijk ook het woord dat voortdurend terugkomt in de catalogus Langs Velden en Wegen. In de inleidingen wordt uiteengezet hoe kunstenaars in de achttiende en negentiende eeuw het landschap hebben gezien. Ook de schilders verbeeldden het in cultuur gebrachte land. Ook zij schilderden op de meest 'natuurlijke' locaties altijd mensen of sporen van menselijke activiteit: op het land wandelaars en wagens, aan de einder een torenspitsje, en op rivieren en op zee natuurlijk schepen.

Men kan erop wijzen, dat reizigers selectief keken en alleen de mooie plekken bezochten en beschreven en zelden de stedelijke sloppen of de armere streken in het Oosten van het land. Bovendien lieten ze zich leiden door reisgidsen. Joseph Taylor schrijft zelfs, wanneer hij per schip de rede van Goeree nadert: 'I stood upon the deck with Misson in my hand and had an infinite satisfaction whilst I examined the copy of the original'. Misson was zo'n populaire reisgids. Maar nogmaals: die uitingen van bewondering worden keer op keer herhaald, vanaf de zestiende eeuw tot in onze eeuw aan toe, en diezelfde auteurs lieten zich over andere landen, over Duitsland bijvoorbeeld, veel minder positief uit. Klachten over ons land betreffen voornamelijk het weer, de akelige dampen uit de stadsgrachten (die nog volgens De Coster een droefgeestig effect op de vreemdeling hadden), het slechte toneel en de schraperigheid der inwoners. Hollanders zijn, schreef Melling, echte geldbeulen ('de vrais bourreaux d'argent').

Schaalvergroting

Charles de Coster reisde in de nadagen van de trekschuit, maar dan liggen er al enkele decennia rails in het Nederlandse landschap. IJmuiden en het Noordzeekanaal zijn aangelegd, hij ziet de telegraafdraden bij Monnickendam. Tien jaar later schildert Paul Joseph Gabriël zijn bekende werk 'Trein in landschap' ook wel bekend onder de titel 'Hij komt van verre'. De moderniteit doet zijn intrede in het landschap met stoom en ijzer en dat proces is onomkeerbaar. De stad begint het land op te vreten en dat land wordt steeds lelijker.

Wat vader Mak als knaap zag wijkt niet zo heel veel af van wat De Coster had aangetroffen en ook niet van wat nog in 1950 aanwezig was. Maar dan beginnen de meest ingrijpende veranderingen. De schaalvergoting van de steden, van de landbouwbedrijven, de industriegebieden, van de hele infrastuctuur, de ruilverkavelingen. Geert Mak beschrijft die verandingen met een lichte nostalgie. Niet alleen de kleuren zijn veranderd, maar zelfs de geuren en de geluiden. Hoe monochroom zijn de weinige weilanden, Waar ruikt men nog touw en teer, waar is het in het westen van Nederland ooit echt stil?

Het oude land van Taylor, Melling en vader Mak is razendsnel aan het verdwijnen. Maar het opvallende is dat vroeger elke verandering of modernisering aan de rand van een stad aanleiding was tot bewondering. Dat is nu niet meer het geval. Integendeel. Ooit waren molens een noviteit en vergaapte de buitenlander zich aan de honderden molens van het Zaanse industriegebied. Ooit was de Amsterdamse grachtengordel nieuw, bewonderde men de nieuwste vestingwerken, schilderde men de toen moderne landhuizen, de tuinen, en trekvaarten; de scheepswerven van de VOC vormden een toeristische attractie. Zelfs Van Gogh tekende gasfabrieken en stations, en dan hebben we nog Breitner met zijn heipalen en bouwputten. Maar wie uit zich tegenwoordig in lyrische zangen over Amsterdam Zuid-Oost, schildert de buitenwijken van een willekeurige provinciestad, of filmt een varkensfokkerij terwille van haar schoonheid?

Dat komt voor een deel omdat weinig nieuwbouw spannend of interessant is en steeds meer mensen opgroeien in onpersoonlijke, uitwisselbare wijken en niet beter weten dan dat het zo hoort. In algemenere zint komt het omdat de verhouding tussen de mensen en hun woonplaats is veranderd. Vroeger was men trots op het land, op het dorp op de stad. Dat was een plek waar men zijn levenlang bleef. Dat is niet meer zo. De verbondenheid met de eigen plaats van herkomst verandert in onthechtheid en daardoor in onverschilligheid. De mobiliteit van mens en werkplek verdraagt zich niet met zorg voor het landschap of met respect voor het verleden van dorp of stad. De illusie dat dit allemaal niet zo is en er nog volop mooie vergezichten en pittoreske oude dorpskernen bestaan wordt hooggehouden door glanzende toeristenfolders, ansichtkaarten en nostalgische fotoboeken. Daar schijnt ook altijd de zon. Toch zal iets in de geglobaliseerde Nederlander van de toekomst altijd wel een stukje van die oude werkelijkheid willen blijven zien. Tussen de office parks, highways en fly overs zal - en dat is de troost van de toekomst - iets van dat verleden en iets van de natuur gedoogd worden. Iets van die oude weilanden, een handjevol koeien, een dorpspomp, een sluis, een ophaalbrug, een stukje bos en wat riet. Alles in reservaten natuurlijk. En geprivatiseerd.