Gedoemd tot de moederrol; Marianne Fredriksson over haar roman 'Anna, Hanna, Johanna'

Ondanks het feminisme valt de vrouw nog altijd terug in haar nederige rol. Op een niet larmoyante manier laat de Zweedse schrijfster Marianne Fredriksson dat zien in haar roman 'Anna, Hanna, Johanna'. Meer dan vrouwen denken, wordt hun gedrag bepaald door wat hun moeders hen leerden: “Alleen de opeenvolging van generaties onthult dat oeroude patroon.”

Marianne Fredriksson: Anna, Hanna en Johanna. Uit het Zweeds vertaald door Janny Middelbeek-Oortgiesen. Uitg. De Geus, 351 blz. Prijs ƒ 49,90.

Ze zou jong willen zijn, jonger dan ze nu is en krachtiger om te genieten van alle glorie: Marianne Fredriksson werd geboren in 1927, ze is nu tweeënzeventig jaar. Haar leven lang heeft ze geschreven, honderden artikelen voor vooraanstaande Zweedse dagbladen en tijdschriften, boeken over bijbelse onderwerpen met titels als Kaïn, Een dochter als Maria en Norea. Nu is er haar boek Anna, Hanna en Johanna, een portret van drie generaties vrouwen.

Honderdduizenden lezeressen moeten zich in de roman herkend hebben, want het is een van de meest verkochte en vertaalde Zweedse boeken. Ze krijgt meer brieven dan ze ooit zal kunnen lezen. Gelukkig houden de meeste briefschrijfsters het kort. “Dank u dat u dit heeft geschreven,” laten ze haar weten. “Wat u noteert, heb ik nooit durven schrijven.” De Duitse filmmaatschappij Bavaria gaat het relaas over de drie vrouwen verfilmen.

Welbewust schuilt in elk van de drie namen van de hoofdpersoon de naam 'Anna'. Het boek is de variatie op een thema: de vrouw is ondanks alles ondergeschikt aan de man. In dat 'ondanks alles' schuilt de tragiek van het boek, want juist in deze tijd, in Zweden, West-Europa, en in Amerika heeft de vrouw zich dankzij het feminisme een gelijkgerechtigheid verworven die haar niet ver onder maar naast de man plaatst.

Dat is schijn. Valse schijn. Vindt Marianne Fredriksson. De vrouw blijft afhankelijk van de man, sterker nog: moeders geven aan hun dochters die nederige houding door. Ze zegt: “Er is zoveel gebeurd, maar er is eigenlijk niets veranderd.”

Hoewel ze het Engels beheerst, praat ze over haar schrijverschap in haar eigen taal; haar kleindochter treedt op als tolk. “Jarenlang heb ik nagedacht over dit boek,” laat ze weten, “ik moest geduld oefenen. Schrijven is vooral wachten. Het idee had ik al heel lang, maar niet het ritme, de gedachten waren nog niet van vlees en bloed, ik zag nog geen personages voor me. Ik moest de moed hebben mijn personages te gehoorzamen, zij praten, denken en handelen. En ik schrijf het op. Toen ik die drie Anna's eenmaal voor me zag, ging het schrijven betrekkelijk snel.”

Anna, de dochter en kleindochter in het boek, beseft na een bezoek aan haar demente moeder Johanna (1902-1987) dat zij eigenlijk niets van haar weet. Evenmin weet ze iets van het leven van haar grootmoeder Johanna, die leefde van 1871 tot 1964. Doordat het geheugen van Johanna is weggewist, probeert de dochter het leven van haar moeder te reconstrueren. Zij komt tot een noodlottig inzicht: ondanks dat haar moeder sociaal-democraat was en vocht voor de gelijkheid van de vrouw, liet ze zich door haar dronken echtgenoot slaan. Ze verliet ze hem, en toch kwam ze weer bij hem terug. Toen ze zich bij haar moeder beklaagde, antwoordde deze met het berustende: “Ach kind, dat hoort bij het leven. Ik ben ook geslagen.”

De grootmoeder maakte zich nooit los van haar man, haar dochter evenmin. Beiden aanvaardden het huwelijk als een opdracht in opofferingsgezindheid en nederigheid. In alle vertwijfeling handhaafden ze zich juist door deze slaafsheid.

Dat is een neerslachtig makend inzicht. Marianne Fredriksson weet dat al te goed, gelukkig is haar boek verre van larmoyant, het getuigt zelfs van een wonderlijke monterheid. Fredriksson: “Op school leerden we dat de zonden der vaderen overgaan op de kinderen tot in het derde geslacht. Ik heb dat altijd onzin gevonden, primitief ook. Het getuigde van een eenzijdige visie op de wereld, want waar bleven dan de daden van de moeders? Konden die zomaar van tafel geveegd worden? Ik behoorde tot een zelfstandige generatie vrouwen die het lot in eigen hand moest nemen. Totdat ik, door eigen ervaringen en door wat ik om me heen zag, erachter kwam dat de vrouwen van nu uiteindelijk veel minder zelfstandig zijn dan ik had verwacht. Ik wilde weten waarom, ik wilde het patroon van grootmoeder, dochter en kleindochter onderzoeken. Ik ben te rade gegaan in Zweedse kerkboeken, bijgehouden vanaf de zeventiende eeuw tot nu. Zo ontdekte ik dat het juist de moeders waren die afhankelijkheid van de man doorgaven aan hun dochters. De besnijdenis van meisjes in Afrika, wordt door vrouwen verricht. Dat is onvoorstelbaar. Misschien in de korte periode van de puberteit komen dochters in opstand tegen hun moeders, maar eenmaal volwassen geworden en verwikkeld in een vaste verhouding, vaak zelf moeder, raken ze hun opstandigheid kwijt. Ze vallen dan terug in die oeroude rol, waarin ze hun moeder zagen: van de vrouw thuis, zorgend voor de kinderen, het koken en de was doen, het gezin geborgenheid geven. Ramen lappen. Heeft u ooit een man de ramen zien lappen?”

Huishouden

“Het is een onwrikbaar gegeven dat een man die thuiskomt van zijn werk, de krant openslaat en het vanzelfsprekend vindt dat de tafel gedekt gaat worden. Wie heeft intussen het huishouden gedaan, de rommel in de kamers van de kinderen opgeruimd? Zweden, dat zogenaamd zeer geëmancipeerde land, heeft het hoogste percentage echtscheidingen van de wereld. Hoe komt dat? We hebben toch de feministische beweging gehad? Sinds de jaren zestig, zeventig en tachtig weten de mannen dat een vrouw niet opgesloten moet worden in het huis. Desalniettemin vraagt in Zweden 70 procent van de vrouwen echtscheiding aan, met eigenlijk aldoor dezelfde reden: de man gaat zijn eigen gang, hij verlaat 's morgens het huis en komt 's avonds laat weer terug. Overspel is een onuitroeibaar iets. Zijn er kinderen, dan regelt de vrouw, als ze werkt, de opvang.

“Kennelijk sluipt in elk huwelijk deze traditionele rolverdeling binnen. Wanneer zo'n hoog percentage van de vrouwen echtscheiding aanvraagt, betekent het dat zij niet gelukkig zijn. Ogenschijnlijk is echtscheiding een daad van zelfstandigheid. Maar het vreemde is, het onthutsende, dat de vrouwen die vervolgens nieuwe relaties aangaan zich verliezen in nòg grotere nederigheid dan voorheen. Want die tweede of derde verhouding willen ze voor geen prijs kwijtraken. De westerse maatschappij is een patriarchale wereld. Ik kwam tot de slotsom dat, als de devotie van de vrouw verdwijnt, de wereld ophoudt te bestaan. Dan draait de wereld niet meer.”

Moederschap

De schrijfster verbaast zich erover dat in buitenlandse besprekingen telkens weer wordt benadrukt dat de roman zo nadrukkelijk over generaties gaat. Haar Nederlandse uitgever gaf het zelfs een ondertitel mee, die in het Zweeds ontbreekt: 'Over drie generaties vrouwen'. Voor haar is het gezin de natuurlijke omgeving van iemand. Fredriksson: “De Skandinavische literatuur en filmkunst is er een van de micro-kosmos van het gezin en het huwelijk: Ibsen, Strindberg en Bergman hebben feitelijk geen ander thema. Maar wat is tegenwoordig een gezin? Vrouwen nemen laat kinderen, steeds later. Niet omdat ze langer zelfstandig willen zijn of zich willen ontwikkelen, maar omdat ze de verantwoordelijkheid van het moederschap niet aandurven. Daardoor worden ze steeds later volwassen, blijven zij dochter. De gezinnen worden steeds kleiner: een of twee kinderen, en dat is het. Hierdoor verandert het gezin ingrijpend, want in zo'n minimale bezetting zijn de gezinsleden sterker dan ooit tot elkaar veroordeeld. Goed beschouwd is het een demonische driehoek: vader, moeder, kind. Wegvluchten is niet meer mogelijk. Die grote concentratie op dat ene kind of die twee kinderen is niet goed voor de ontwikkeling. Ik vind het een gevaarlijke situatie dat zoveel kinderen opgroeien in gebroken gezinnen. Vraagt de vrouw echtscheiding aan, dan gaat ze weg. Met de kinderen. Maar een kind heeft beide ouders nodig.”

De dementie van de moeder in het boek, Johanna, is het enige autobiografische gegeven uit Anna, Hanna en Johanna. Ze vertelt dat ze in die lange jaren 'een moeder had en tegelijk geen moeder'. Een bezoek aan de oude familieboerderij op het platteland van Zweden gecombineerd met archiefonderzoek inspireerde haar tot de epische vorm van het boek: “Alleen de opeenvolging van generaties onthult dat oeroude patroon. Veel meer dan vrouwen denken wordt hun gedrag bepaald door wat de moeders hen leerden. Mijn moeder kreeg van haar moeder te horen dat ze tijdens de seks haar ogen maar moest dichtdoen, het ergste was dan zo voorbij. Door mijn werk als journaliste weet ik veel van de maatschappelijke omstandigheden van vrouwen. De grootste moeilijkheid bij het schrijven van Anna, Hanna en Johanna was het kwijtraken van die kennis. Mijn boek is geen pamflet, het is evenmin een boek tegen de man en voor de vrouw. Door een wat zwevende, vertellende stijl aan te houden is het een heel open boek geworden, waarin de verhouding tussen man en vrouw eerder wordt getoond dan zwart-wit neergezet. Wel ben ik resoluut in één gedachte. De vervreemding van de mens van het platteland heeft veel kwaad gedaan. Er bestaat geen grondslag meer voor de aloude rituelen van jeugd, huwelijk, moederschap, dood. De beschutting van de generaties bestaat niet meer. De vrouw staat op zichzelf. Verder van de man verwijderd dan ze ooit had durven denken.”