Fantoompijnen op Trafalgar Square; Herman Franke herschept admiraal Nelson

Herman Franke: De verbeelding. Podium, 413 blz. ƒ 45,-

De titel van de derde roman van Herman Franke doet enigszins tautologisch aan: De verbeelding. Welke roman zou je eigenlijk níet zo kunnen noemen? Dat er verbeelding aan een roman te pas komt, zal voor de meeste lezers toch wel voor zich spreken. Maar kennelijk was Franke er niet helemaal gerust op. Mogelijk heeft hij op deze manier duidelijk willen maken dat hij, anders dan in zijn twee jaar geleden verschenen studie over het gevangeniswezen, De macht van het lijden, niet uit was op de waarheid of de feiten. Maar je zou in deze titel ook iets uitdagenders kunnen zien: een reactie op de autobiografische tendens in de Nederlandse literatuur, een ironische verwijzing naar de Indische duinen, de Blauwe maandagen en de I.M.'s van de laatste jaren.

Eén ding staat in elk geval vast: persoonlijke ontboezemingen zal men in De verbeelding niet aantreffen. Pure fictie trouwens ook weer niet. Franke raadpleegde, zoals hij in zijn verantwoording uitlegt, 'naslagwerken, geschiedkundige en kunsthistorische studies, biografieën, memoires, tijdschriften, kranten, reisverslagen, historische romans, gepubliceerde brieven en archiefmateriaal', om vervolgens op al dat materiaal zijn fantasie en inlevingsvermogen los te laten. Zo ontstond een uiterst merkwaardige, uit verschillende tekstsoorten en registers opgebouwde en bijzonder onderhoudende herdenkingsroman over een Britse zeeheld.

De legendarische admiraal Horatio Nelson (1758-1805) offerde tijdens verschillende zeeslagen een oog, een arm en tenslotte, bij Trafalgar, zijn hele leven voor het vaderland. Aan die zeeslagen worden in De verbeelding weinig woorden vuilgemaakt en ook niet aan de bijbehorende politieke en internationale verwikkelingen. Nelson wordt hier niet benaderd als een historische figuur. Franke herschept hem tot een literair personage dat, ook letterlijk, over zijn eigen graf heen kan kijken.

Geboren standbeeld

Trafalgar Square vormt het middelpunt van de roman. Daar staat Nelson op zijn hoge zuil een bezield standbeeld te wezen, als wij de schrijver mogen geloven. Nelson denkt er heel wat af, over stilstand en beweging, dood en leven, kunst en werkelijkheid en over de liefde, zijn liefde voor de beeldschone Emma Hamilton vooral, zijn maîtresse van weleer. Hij beschouwt zichzelf als 'een geboren standbeeld', omdat hij als kind al verlangde naar verstarring, naar de terugkeer ooit in het kalksteen van zijn Norfolkse geboortegrond. Want het menselijk bestaan is in zijn J.C. Bloem-achtige visie niet veel meer dan een rumoerig interval tussen twee stilten: 'Ik zie het leven als een grote lawaaiige, zenuwachtige drukte die haar eigen kracht verbruikt en langzaam maar zeker zal doven, verstommen en verstillen. Een reis naar de dood.'

Helemaal lekker zit het met dit Nelson-personage intussen niet. Als levende dode wordt hij in staat gesteld om te denken, te kijken, te voelen en zelfs een beetje telepathisch in te werken op voorbijgangers, maar Franke laat hem, in strijd met zijn verstarringsideaal, wel weer lijden onder zijn stenen beperkingen. Hij voelt zich eenzaam, heeft pijn in zijn ontbrekende rechterarm en mist het naakt portretje van Emma, dat hij tijdens zijn leven in zijn lege mouw bewaarde en regelmatig met zijn ene oog bekeek.

De verbeelding waait in deze roman alle kanten op. Vanuit haar graf zendt ook de dochter van Nelson en Emma, om nog maar eens een voorbeeld te noemen, haar sombere berichten uit. Steeds keert deze grote tegenstelling terug: het leven versus de kunst. Zoals Nelson zich na zijn dood, als standbeeld, een god waant in het diepst van zijn gedachten, een schepper, een kunstenaar, met Emma als zijn muze en model, zo hebben ook de overige figuren die Franke in zijn kielzog op de been bracht, allemaal iets met kunst van doen. Ze zijn museumconservator, ze schilderen, schrijven, fotograferen, verzamelen reproducties, staan model, spelen voor levend standbeeld of studeren kunstgeschiedenis. In de kunst zoeken ze een antwoord op hun levensproblemen: een onduidelijke afkomst, een dood zusje, een suïcidale broer, een alcoholistische vader, een onbeantwoorde liefde, een mislukt huwelijk of andere narigheid.

Veel oud zeer dus, dat men met een soort creatieve therapie te boven denkt te kunnen komen, al laat Franke ons weinig hoop op het gunstige effect ervan. Ook met de liefde is het treurig gesteld. Zoals het Nelson en Emma niet gegeven was om samen lang en gelukkig te leven, zo is het ook de vele paren die hier ten tonele worden gevoerd niet vergund om ook maar een enigszins duurzame relatie op te bouwen. Na een hartstochtelijke start, waarin volgens het romantische cliché seks en dood elkaar de hand reiken, is het al gauw gedaan met de liefde en vallen de partners terug in hun oorspronkelijke eenzaamheid. Wie na ruim 400 bladzijden nog mocht twijfelen over de mededeling die Franke met zijn breed opgezette roman heeft willen doen, wordt in de allerlaatste regel alsnog definitief uit de droom geholpen. Daarin is sprake van de dood die moet glimlachen 'om het ijdele geluk en het vergeefse lijden van alle mensen'.

Arsenal-fan

Toch is De verbeelding niet alleen een somber boek, vol mistroostige overpeinzingen over de zinloosheid van het bestaan. Dat de kunst het ontoereikende aardse leven in elk geval kan veraangenamen, bewijst Franke natuurlijk vooral met zijn eigen schrijversverbeelding. Moeiteloos leeft hij zich in de meest uiteenlopende personages in: in de stoere maar o zo gevoelige Nelson en zijn beklagenswaardige want niet erkende dochter Horatia, maar ook in een omhooggeklommen schoonmaker, een Arsenal-fan, een suppoost, een oversekst punkmeisje of een getraumatiseerde buschauffeur. Dat levert mooie en soms zelfs bloedstollende episodes op, onder andere met de buschauffeur die de rit herbeleeft waarbij zijn eigen dochter omkwam en die zich daarmee misschien wel - een van de weinige lichtpuntjes in de roman - van een panische levensangst weet te verlossen. Fraai detective-achtig zijn ook de omzwervingen van het naaktportretje van Emma, een amusante rode draad in het verhaal.

Tot de meest aansprekende passages in het boek behoort de ontwapenende brief van een schoolmeisje van dertien dat zich in opdracht van haar geschiedenisleraar rechtstreeks tot Nelson richt, 'omdat u tweehonderd jaar geleden de Spaanse vloot in de pan hebt gehakt'. In haar ogen is hij niet alleen een held, maar vooral ook een beetje zielig, omdat hij daar zo eenzaam op zijn hoge sokkel staat en geen idee heeft van het moderne leven: van telefoons, rekenmachines, computers of popmuziek. 'U weet eigenlijk niets!' verzucht het meisje. 'U weet niet eens wie Michael Jackson is! Iedereen, echt iedereen weet wie Michael Jackson is, behalve u.' Dat is inderdaad misschien wel de grootste tragiek van de literaire held die Nelson onder Franke's schrijvende handen is geworden: hij heeft wel het eeuwige leven gekregen, maar hij kan er niet aan deelnemen.

'Ik ben dertien, maar ik word gauw veertien. Dus het is wel vijftien keer mijn leven geleden dat u een zeeheld werd in Egypte. Veertien-punt-twee-acht-vijf-zeven-een-vier keer, om precies te zijn. Ja, dat heb ik net even op mijn rekenmachientje uitgerekend, hoor, niet uit mijn hoofd. Ik kan helemaal niet uit mijn hoofd rekenen. Hilda wel, maar die kan alles. Die kan zelfs blozen zonder rood te worden. Echt waar. Ik word al rood als ik niet eens moet blozen. Ik wordt overal rood van omdat ik het zo vreselijk vind om rood te worden. Ik schaam me er dood voor. Eigenlijk schaam ik me verder nergens voor, ik zou zo helemaal bloot over Trafalgar Square durven lopen, maar als ik rood word wil ik wel dood, zo schaam ik me dan.'

Uit: Herman Franke: De verbeelding