Echtpaar

- Dat kind is vast verdwaald.

- Hoe weet je dat?

- Dat voel je als moeder.

- Ik denk dat ze hier in de buurt woont.

- Dan zou ze niet zo lang stilstaan.

- Misschien is ze iets aan het spelen.

- Dat doe je niet in je eentje.

- Straks loopt ze naar beneden en dan zie je haar niet eens meer.

- Dat is het nou juist.

- Wat?

- Dat ze daar blijft staan.

- Is ze de weg kwijt?

- Zo'n kind alleen in de ondergrondse. Dat gaat nooit goed.

- Vraag dan waar ze heen moet.

- Zou ik kunnen doen.

- Anders doe ik het wel.

- Nee, wacht nog even.

- Wat wil je nou?

- Als ze verdwaald is dan loopt ze misschien met ons mee.

- Kan ze bij ons bellen.

- Maar we hebben vanmiddag nog zoveel te doen.

- Wat dan?

- We moeten nog naar m'n moeder.

- Wil je dat kind nou helpen of niet.

- Ze is goed gekleed.

- Daar heeft het toch niets mee te maken.

- Een kind met mooie kleren verdwaalt niet.

- Ik begrijp er niets meer van.

- Haar moeder is vast al beneden.

- O bedoel je zo.

- Of die moeder koopt iets in een winkel en zij staat op haar te wachten.

- Ook een idee.

- Laten we maar doorlopen.

- Ze redt het vast wel.