Duizend jaar knipogen

Sony Labou Tansi: Het einde der dingen. Uit het Frans vertaald door Eveline van Hemert. Van Gennep-Novib-Ncos, 127 blz. ƒ 29,90

Vertellers in romans zijn doorgaans individuen die zichzelf aanduiden met het woordje Ik; maar de verteller in de roman Het einde der dingen is geen individu en ook geen Ik: het is een instantie die consequent in de wij-vorm spreekt en zoiets als de publieke opinie vertegenwoordigt. De publieke opinie van Hondo-Noote. Een kus, één kusje maar, verandert dat stadje ingrijpend. 'Vóór de kus', legt de gemeenschap van Hondo-Noote ons uit, 'waren we niet meer dan een volk van ordinaire yameters geweest, [-] een volk dat zijn enige houvast ontleende aan die eeuwenoude eigenaardigheid om de zon recht in de ogen te kijken op het uur van de none.' Ná de kus raakt alles ontwricht, de natuur, de moraal, de traditie. Wat was er toch mis met die kus?

Niks - behalve dan dat de kusser een oude man was en de gekuste een piepjong meisje. Behalve dan dat de kusser er niet over peinst om met Banos Maya te trouwen. Hoscar Hana ìs al getrouwd, met zijn wetenschap. Hij wil zich de wet niet laten voorschrijven door achterhaalde tradities en bovendien, zegt hij, heeft de dokter hem seks verboden. Terwijl het meisje, behekst door de kus, van verlangen vergaat, slaagt Hoscar Hana er steeds weer in de bruiloft uit te stellen. Een onzalige constellatie.

Wetten zijn overtreden, de oude orde heeft haar macht verloren maar een nieuwe is er nog niet. Sinds de kus leeft Hondo-Noote in een vacuüm: de gelovigen weten niet meer wat de goden hun willen vertellen. Wat deugt er nou eigenlijk niet: de liefde, of het versmaden daarvan? Men is de kluts kwijt, zoekt vergeefs naar competente leiders en het enige waar men nog wel in gelooft, is dat de apocalyps is aangebroken, want rampspoed volgt op rampspoed.

Het collectief dat hierover bericht, doorziet de gebeurtenissen net zo min als de anderen, bevooroordeeld als het is. Het pocht bijvoorbeeld zelfingenomen: 'Iedereen weet dat wij uit Hondo-Noote nooit zo zullen worden als die wietrokers uit Tombalbaye. Ook tijdens de bloederigste idioterieën behouden wij onze waardigheid en goede manieren.' Hier roert zich nu eenmaal een stem die niet boven de dingen staat maar er middenin, een stem refererend aan de orale Afrikaanse verteltraditie en tevens voorzien van de mentaliteit van het koor in de Griekse tragedie: nu eens verontwaardigd, dan weer berustend, grillig en altijd partijdig.

Doordat de auteur wijselijk afstand tot deze onbetrouwbare vertelinstantie houdt creëert hij een ironische spanning. De Congolese schrijver Sony Labou Tansi gebruikt de wapens van schelmenroman en satire om iets verschrikkelijks aan de kaak te stellen: de misère van Afrika. De ontreddering, het wanbeleid, de hysterie van de op een wonder hopende burgers: Tansi maakt van dat alles een burlesk festijn, met als spotziek motto: 'Gekte is de ware maat der dingen.' Als Hoscar Hana uiteindelijk zwicht en trouwt, sterft hij vrijwel meteen - behalve dan dat zijn lijk, door een geheimzinnig goedje dat hij zichzelf heeft ingespoten, duizend jaar lang blijft knipogen.

Sony Labou Tansi staat even sceptisch tegenover de bijgelovige Afrikaanse tradities als tegenover de westerse aanbidding van wetenschap en technologie. De wereld waarin hij ons binnenvoert is spookachtig en theatraal, groots en ellendig, vol leven en doortrokken van de dood. Tansi wist dat dit boek zijn laatste zou zijn. Het verscheen in 1995, vlak na zijn overlijden. Aids had hem geveld, zoals dat geniepige virus al eerder zijn vrouw te grazen had genomen. De schrijver werd achtenveertig en hij stierf in zijn afgelegen geboortedorp Foufoundou. Anders dan zoveel van zijn Afrikaanse collega's is hij nooit naar Europa verkast, hoewel hij politiek actief was en jarenlang op de dodenlijst stond van de Congolese regering. Het grootste deel van zijn leven woonde hij in Brazzaville en vanuit zijn kamer in de volkswijk Makélékélé observeerde hij het straatleven, die spectaculaire mix van culturen. Spanjaarden en Portugezen, Italianen, Hollanders, Arabieren en Fransen: zij allen kwamen op een zeker punt in de geschiedenis wel even kijken wat Congo, land aan zee, hen aan schatten te bieden had.

Bizarre anekdotes en botte uitspraken drukken de lezers met hun neus op de ontwortelende gevolgen van die koloniale aanwezigheid. 'De blanken zijn schoften met een gelukkig gesternte: ze halen de ene na de andere ezelstreek uit, waarvoor vervolgens de rest van de wereld moet betalen.' In Tansi's romans, zes in totaal, is het een komen en gaan van bazige volkeren - en van even heerszuchtige inheemse kolonels. Die laatsten voert de schrijver steevast op als wolven in revolutionaire vermomming: door zich als volksbevrijders voor te doen ketenen zij de massa's aan zich.

Het blijft miraculeus dat de doodzieke auteur bij het beschrijven van zijn door ziekten en catastrofes geteisterde land zo'n montere toon wist te behouden. Tansi was net zo dol op francofone snob-woordjes als op krachttermen in het Lingala en het plezier in fabuleren spat van elke bladzijze af. Niet alleen in het Franse origineel maar ook in de barokke Nederlandse vertaling.

'Niets aan te doen: wij waren het gat van de wereld, ingeklemd als we zaten tussen de razernij van de Atlantische Oceaan en de veelarmige woedeaanvallen van de Houango. Twee lappen bouwvallige, ijzerkleurige en stervenshete hemel tussen eeuwige balken van nimbostratus, meer was het niet.' 'Vijftien dagen lang viel de hemel uit de hemel, zodat de aarde veranderde in een ongekend slijmerige, stinkende modderpoel, een soep waarin Hondo-Noote ronddreef, bezoedeld tot in haar allerintiemste plekjes, vol afval, rondzwervend plastic en dierenlijken.'

Zo formuleert Sony Labou Tansi erop los - en wat mag klinken als een schromelijke overdrijving wordt op dit moment alweer ingehaald door een nog idiotere werkelijkheid.