De Sloveense schilder Jo Ciuha over kunst en de Balkanoorlog; Ik ben er niet aan gewend oud te zijn

Beeldend kunstenaar Jo Ciuha woont in Ljubljana. “Een kunstenaar kan niet veel doen, maar hij kan op zijn minst zijn standpunt kenbaar maken, over al die necrofiele drijfkrachten om hem heen.”

Expositie Ciuha in Zürich, Trittli galerie, Neustadtgasse 1. Van 10 maart t/m 4 april. Werk van Ciuha is permanent te bezichtigen in galerie Helga Hofman, Hoorn 131 in Alphen a/d Rijn, op afspraak. Inl. 0172 - 421174

Tot het begin van de jaren '90 gold hij als een Joegoslavisch schilder, maar sinds de onafhankelijkheid van zijn land is hij een Sloveens schilder. En als Slovenië in 2002 lid zal zijn van de Europese Unie zal daarmee op politiek niveau zijn bekrachtigd wat Jo Ciuha altijd al was: een Europees kunstenaar. Zijn nationaliteit is voor Ciuha zeker niet onbelangrijk, maar als benaming zegt het hem niets.

“Ik ben geen Sloveen van professie; ik ben kunstenaar, en als mijn kunst goed is, is het ook goed voor Slovenië. Ik ben altijd Europeaan geweest, ik heb overal in Europa geëxposeerd, maar ik was me er wel altijd van bewust uit een land te komen dat, zeg maar, niet in het centrum van de aandacht lag. Vaak, als mensen mijn werk ontdekten en dan hoorden waar ik vandaan kwam kregen ze een houding over zich van 'ah, dan zullen we je wel eens helpen'. Je voelde je een beetje in de positie van bedelaar. De erkenning die je krijgt hangt nauw samen met de politiek van galerieën, en als je dan uit een land als Joegoslavië kwam had je een achterstand, altijd. Ik geloof dat dat wat mij betreft wel voorbij is.”

Jo Ciuha heeft over gebrek aan erkenning niet te klagen, en eigenlijk ook nooit gehad. Hij is geboren in 1924 in Trbovlje in Slovenië en doorliep de Kunstacademie in Ljubljana. Zijn werk werd beïnvloed door de Byzantijnse kunst, later vooral door de films van Fellini met hun gelaagde realiteit. Hij wijdde er een serie 'Hommages aan Fellini' aan, zoals hij eerder een serie had gemaakt die geïnspireerd was door Kafka. Maar het belangrijkst voor zijn ontwikkeling vond hij zijn reizen naar het Verre Oosten en Latijns Amerika. In de vroege jaren '60 had hij zijn eerste expositie in Rangoon, het toenmalige Birma. Daar was een gebrek aan de noodzakelijke materialen het begin van experimenten met andere technieken, en waar vooral zijn latere fascinatie met het werk op plexiglas een gevolg van was. Sindsdien heeft hij decennia lang in de VS maar ook in alle landen van Europa geëxposeerd, in alle delen van zijn thuisland Joegoslavië maar vooral ook zeer vaak in Nederland.

Ciuha praat een bedachtzaam Engels, net zo zorgvuldig gearticuleerd als het Frans, Duits en Italiaans dat hij spreekt. “Noodzakelijk voor iemand die tot een kleine taalgroep behoort, net als voor jullie Nederlanders.”

In het begin van de jaren '90, rond de tijd dat zijn land zich afscheidde van de Joegoslavische federatie, maar nog voordat de hel op de Balkan goed losbrak, ontlaadde zijn voorgevoel over de duistere krachten zich in een reeks schilderijen die in gruwelijkheid en intensiteit alles overtroffen wat hij tot dan had gemaakt. Verwijzingen naar Cobra en Miró hadden plaatsgemaakt voor reminiscenties aan Francis Bacon en de 'Desastres de la Guerra' van Goya.

“Ik had inderdaad een voorgevoel van iets vreselijks. Vrienden die ik had in de andere deelrepublieken, verklaarden zich ineens mijn vijanden. En zonder de ambitie om een 'oorlogsschilder' te worden, kwam het ineens uit me, de noodzaak om te veroordelen, de menselijke agressie, niet alleen in deze oorlog, maar over de hele wereld, in deze eeuw. Een kunstenaar kan niet veel doen, maar hij kan op zijn minst zijn standpunt kenbaar maken, over al die destructieve energie, de necrofiele drijfkrachten die je om je heen ziet. Als je je eigen creatieve vrijheid probeert te bewaren is dat de consequentie. Ik was gewond door het leven, het was mijn uiterste persoonlijke reactie en die moest ik explosief kwijt.”

Reflectie

In zijn werk op linnen en papier laat Ciuha grote stukken onbedekt. “Als ik die ruimte onbedekt laat is het nog steeds een ruimte, die uiteraard in een bepaalde verhouding staat tot de ruimte die wél bewerkt is. De schrijver Alain Bosquet ziet er een reflectie in van deze tijd. De blanco ruimte voegt een filosofische dimensie toe aan het werk. Voor mij is het elke keer weer een beslissing, hoe als het ware de ruimte met kleuren te urbaniseren, hoe hem te laten als hij is: een dialoog tussen materie en anti-materie.”

Het werd het meest onthutsende werk dat hij ooit maakte, en over het trauma van het Joegoslavische drama praat Ciuha, bedachtzaam en bescheiden als hij is, nog steeds in bewoordingen die die 'verwonding' verraden.

Als zoveel Slovenen is hij erop gebrand het eigene van zijn jonge land te benadrukken. “Het grote fenomeen van onze natie is dat we hebben overleefd, meer dan duizend jaar, altijd binnen een groter verband. Wat ons deed overleven was onze eigen taal. We hadden geen aristocratie die zich voor een nationaal bewustzijn opwierp, en een middenklasse van priesters en dichters en leraren ontstond pas in de vorige eeuw.” Als deel van het Heilige Romische Reich, de Habsburg-monarchie en later de Slavische Federatie die overging in Joegoslavië waren de Slovenen een klein maar nijver volk op een strategisch kruispunt van culturen. In Joegoslavië vormden ze 8 procent van de bevolking maar waren verantwoordelijk voor een kwart van het Bruto Nationaal Produkt. Er was een op sommige gebieden aangename, en soms bevruchtende relatie met de andere deelrepublieken, maar Slovenië voelde zich immer het buitenbeentje.

“De Serviërs hebben 500 jaar onder Turks bewind geleefd, wij onder Oostenrijks. In al die andere Joegoslavische landen ontstond een ziekelijke nationalistische euforie, met dromen van een Groot Servië en een Groot Kroatië en dat soort onzin, en de neiging zich te identificeren met een historische obsessie. Maar de Slovenen beseften gelukkig dat ze te klein waren voor zoiets. In ons land ben je in een paar uur van de ene kant van het land naar de andere gereisd.”

Heel rijk

Zonder zich een nationalist te noemen is hij blij dat in zijn land de overgang van een traditionele naar een moderne samenleving zich vanzelfsprekender voltrekt dan in de rest van het voormalige Joegoslavië. “De aversie tegenover de Balkan was altijd al groot maar niet beslissend. Je ziet nu zelfs een mate van nostalgie naar het oude Joegoslavië; er was natuurlijk een heel speciale wederzijdse invloed tussen de regio's die nu helemaal verloren is gegaan. Je ziet het vooral in de oudere middenklasse voorzover die nog bestaat, mensen die een bepaalde maatschappelijke zekerheid hadden, vakbondsleden met hun eigen zomerverblijven, dat is allemaal verdwenen. We hadden vroeger geen heel rijke mensen, nu wel. We hadden vroeger geen heel arme mensen, nu wel. En dan heeft in Slovenië de samenleving zich nog heel mild ontwikkeld vergeleken met elders.”

Ciuha woont en werkt nog steeds een groot deel van zijn tijd in Ljubljana, in een apartement met atelier dat uitkijkt over het Tivoli Park, maar daarnaast kan hij beschikken over ateliers in Amsterdam, Parijs en op een eiland voor de kust van Dubrovnik. Maar om op die laatste plek te komen heeft hij tegenwoordig ook een paspoort nodig.

Zijn nauwe band met Nederland uitte zich vooral lange tijd in een gevoel van verwantschap met Cobra. “Vooral Lucebert bewonder ik, ik heb een reeks aquarellen gemaakt waarin ik teksten van hem verwerk. En zijn werk was altijd zo speels, zo anti-academisch, en toch heel direct met het gebruik van de klassieke materialen. Ik hou van kleuren, net zoals hij; Lucebert was iemand die zijn innerlijke vrijheid op een unieke wijze naar buiten bracht. Ik voel me veel meer verwant met hem en Appel dan met de noordelijke expressionisten. Dat was me allemaal te pathetisch, ik houd van sublimatie. Want zo moet het zijn, in de beschouwing: je moet een werk benaderen met de vraag 'wat is dat', dan ben je in de positie van iemand die dichterbij komt en al kijkende oog in oog komt met zijn eigen ervaring. Dat is de ware functie van kunst. Zoals de monniken in Tibet, die naar een meer gaan en erin kijken en hun vorige leven erin zien.”

Dat Nederland hem waardeert bleek uit de grote eenmans-expositie in het Van Gogh Museum in 1976 en drie jaar later in het Frans Hals Museum in Haarlem. Sindsdien heeft hij tientallen malen geëxposeerd in galerieën overal in het land. “Maar het meest heeft me toch aan Nederland gebonden dat ik mijn apen-serie in het gemeentehuis van Sittard mocht exposeren.”

Deze 'monkey business'-serie ontstond in de jaren '70 en toont in een reeks schilderijen apen die niet zo maar zijn aangekleed, maar voorzien van de parafernalia van de macht. Apen niet als dieren, niet als metaforen, niet als karikaturen van bestaande regenten maar als symbolen van een machtsstructuur. “Ik was een expositie aan het voorbereiden in Sittard en toen ontstond het idee de serie op te hangen in het raadhuis aldaar, in het centrum van de macht dus, al is dat maar op een laag, provinciaals niveau. Tot mijn enorme, en aangename verbazing ging de gemeente ermee akkoord.” En daar hingen ze dus, de aangeklede apen, meekijkend over de schouders van de levende regenten. “Ik dacht, en denk nog steeds, dat er waarschijnlijk maar één land ter wereld is waar zoiets mogelijk is.”

Zoals hij zijn schilderijen als een 'voortgaande dialoog met zijn tijd' beschouwt, zo is het aquarelleren een monoloog: “zonder de strijd en de pijn, zonder ook de enorme concentratie die het werken met plexiglas vereist. Het is iets dat me hoofdzakelijk plezier geeft. Ik gebruik er vaak teksten in, van Rilke of Kadare of de Franse symbolisten, niet als commentaar maar als een vorm van samenwerking tussen tekst en verf. In het begin was het alleen maar een professie. Toen werd de professie een hobby, en toen werd de professie een obsessie.”

Ciuha is een cosmopoliet in een provinciaals landje, maar erkenning in dat eigen land is er in ruime mate; het parlementsgebouw in Ljubljana mocht hij van een mozaïek voorzien, en als alles goed gaat, is nog vóór Slovenië EU-lid de Jo Ciuha Foundation in leven geroepen. Die zal in Bled, het Alpenstadje dat al decennia een befaamd toeristenoord is, een multi-cultureel centrum open gaan waar naast werk van hemzelf ook werk van andere Sloveense kunstenaars te zien zal zijn. “Het is een project waar mijn vrouw Radmila enorm veel tijd in steekt, ik kan zelf niet veel anders doen dan mijn werk doneren.” Het wordt zijn belangrijkste bijdrage aan de nationale cultuur, bang als hij is voor een culturele kolonisatie van Oost- en Middeneuropa door het westen. “De verstrengeling tussen productie en cultuur is heel belangrijk, het is nu voor banken en grote corporaties niet langer hoofdzakelijk een kwestie van prestige om in kunst te investeren, doorgaans krijgen ze er veel meer voor terug dan ze erin stoppen. Daarom is het voor kunstenaars uit een relatief arm land als het onze zoveel moeilijker te overleven, ze hebben geen ruggesteun zoals ik die vroeger ook niet had.”

Parijs

Als ik Ciuha een paar weken na onze ontmoeting in Ljubljana in Parijs opnieuw spreek, is hij daar nog maar enkele dagen aan het werk, maar het atelier hangt al vol met work in progress, op linnen, plexiglas en papier. “Het veelvuldig wisselen van techniek, van olie naar acryl en gouache, en van wandkleed tot mozaïek en zeefdruk en aquarel werkt voor mij verfrissend, het stelt me in staat mezelf vruchtbaar te houden.” Een van de doeken is een grillige herschepping van Velazquez' 'Las Meninas'. Zijn energie is legendarisch, werken is als ademen en geschiedt dus dag en nacht. Maar nu hij bijna 74 is, heeft de horizon anxiety in zoverre vat op hem gekregen dat hij zich tussen alle andere bezigheden door heeft gestort op een van de weinige dingen waaraan hij zich nooit eerder waagde. “Twee jaar geleden zei ik tegen mezelf: ik ben niet jong meer en ik ben er niet aan gewend oud te zijn. Lange tijd was ik in kringen van vrienden de jongste, en geleidelijk aan ben ik nu overal de oudste geworden. Het is zo gemakkelijk voor een kunstenaar op mijn leeftijd om in herhaling te vervallen of te leunen op ervaring. En dus zei ik tegen mezelf: luister Jo Ciuha, je kunt niets veranderen aan je geboortedatum, maar je kunt wel iets doen aan oud worden en dat is iets doen wat je nog nooit gedaan hebt. En dus schrijf ik een roman over de eerste zeven jaren van mijn leven, voorzover dat met mijn gebrekkige geheugen mogelijk is.”

Hij zegt het opgewekt, maar achter de montere reflectie waarmee hij over de wereld praat, gaat voortdurend een enorme bezorgdheid schuil die door de oorlog in zijn vroegere land alleen maar groter is geworden. “De neiging tot vernietiging is een veel eenvoudiger op te roepen drijfveer dan de neiging tot scheppen. En er zal nooit iets veranderen zolang de mens niet van zijn eigen destructieve impulsen wordt verlost. De tijd van de idealisten is helaas voorbij en de dringende vraag waar we mee zitten is of onze kinderen nog wel zullen kunnen overleven op deze planeet waar we een steeds grotere puinhoop van maken en die we alleen maar zien als materie om winst mee te maken.” Voor de tweede maal in het gesprek citeert hij zijn favoriete regel van de Duitse dichter Morgenstern: Ich weiss nicht wie es ist wenn es anders ist, aber ich weiss dass es anders sein muss.