De oogst van onze eeuw; Claude Lévi-Strauss: Tristes Tropiques, 1955

Claude Lévi-Strauss: Tristes Tropiques, Librairie Plon, ƒ 23,50

Claude Lévi-Strauss (1908) is een van de oudste nog levende 'volkenkundigen'. Zijn werk is een erfenis van de Franse sociologische school waarin meesters als Emile Durkheim en Marcel Mauss figureren. Maar anders dan zij heeft Lévi-Strauss discipelen verworven ver buiten zijn eigen vakgebied, en heeft hij met zijn publicaties een groot publiek geboeid. Binnen de culturele antropologie roept zijn naam daarentegen eerder twijfel op dan instemming. Zijn 'structuralisme' heeft vruchten afgeworpen, waaronder bittere, in de filosofie, de literatuur en de politieke wetenschappen. De betrekkingen die de antropoloog onderhield met postmoderne hogepriesters als Michel Foucault en Jacques Derrida kwamen grotendeels tot stand op initiatief van die laatsten, maar de grote geest achter het 'Musée de L'Homme' in Parijs heeft zich het eerbetoon graag laten aanleunen.

De faam van Lévi-Strauss buiten de salons van de linkse chic is moeilijker te verklaren. De meeste van zijn boeken gaan over weinig populaire onderwerpen als 'verwantschap', 'scheppingsmythen' en 'totemisme'. Ze zijn bovendien geschreven in een hermetisch proza dat, opgeluisterd met formules van eigen maaksel, alleen de schijn van precisie wekt. Achter het vakjargon en de geheimtaal gaat een oude droom van intellectuelen schuil: het verlangen naar een menselijke 'gemene deler'.

In meer dan één opzicht is Lévi-Strauss een ouderwetse antropoloog. Ook in zijn overtuiging dat alle cultuuruitingen, of het nu gaat om voedsel, taal, muziek of huwelijksgebruiken, eenzelfde merkteken van de menselijke geest dragen. Zijn onderzoek naar wat een Franse intellectueel en een Australische Aboriginal gemeen hebben, wekte van het begin af nieuwsgierigheid en sympathie. Velen meenden dat voor zo'n heksentoer Lévi-Strauss' dialectische redeneringen het aangewezen middel waren. De veronderstelling van terugkerende tegenstellingen in het denken van alle beschavingen vond in 1962 zijn weg naar een schare van tiersmondisten, derdewereldmakelaars, via zijn boek La Pensée sauvage (Het wilde denken, 1968).

Maar al in 1955 had de volkenkundige de aandacht van het weldenkend publiek getrokken met Tristes Tropiques.

Dit boek staat in een traditie van reisverhalen waarin observaties, mijmeringen, vergelijkingen, suggesties en schetsen elkaar afwisselen op het tij van de herinnering. Zijn tocht ging vanaf de Braziliaanse kust, Sao Paulo, noordwaarts via het moerasgebied aan de Paraguayaanse grens en de hoogvlakte van Mato Grosso naar een van de zijrivieren van de Amazone. Die drieduizend kilometer legde hij af in etappes, en tijdens de maandenlange reizen onthulde hij bijna evenveel van zijn eigen ziel als van de vier Indianengroepen die hij aandeed. Ook dat is antropologie: een nieuw licht werpen op de eigen achtergrond.

De ontdekkingsreizen tussen 1934 en 1937 vormen het veldwerk waarop Lévi-Strauss zijn hele leven heeft voortgeborduurd. De ontmoetingen met de Bororo en de Nambikwara - volkjes die niet groter waren dan enkele tientallen personen - leverden de stof voor ingewikkelde deconstructies en reconstructies van rauw en gekookt voedsel, nederzettingspatronen en huwelijksverboden die zijn andere werk zo slecht verteerbaar maken.

Maar in Tristes Tropiques overheerst de vertelling. De lezer zal niet licht de stam vergeten die beschilderd en uitgedost als speelkaarten, een schrikbewind uitoefent over zijn nederige buren. Adeldom blijkt geen Europees prerogatief te zijn. Lévi-Strauss maakt ons opmerkzaam op de pijnlijke precisie waarmee mensen die technologisch gesproken in het Stenen Tijdperk leven, standen en klassen onderscheiden. Zelfs in hun geslonken aantallen, was er de Bororo veel aan gelegen alle formaliteiten die iemands positie met zich meebracht 'naar de letter' uit te voeren. De letter was dan het geschilderde merkteken dat een man op zijn peniskoker droeg. Echte wilden, begreep de antropoloog van deze in verfstrepen gehulde hovelingen, zijn onbeschilderden, niet beter dan dieren. En dan de grootsprekende Nambikwara, ook zulke helden van de geest. Eeuwig op de rand van de hongersnood, maar altijd tuk op geile praatjes en sterke verhalen. De mannen schudden het hoofd over de arme vrouwen, die na hun dood 'in het niets verdwijnen'. Ondertussen hangt het overleven van de stam niet af van de veelgeprezen jachtbuit van de mannen, maar van de wortels en larven waar de vrouwen mee aankomen.

Toch zijn de getuigenissen van het oprukkende Brazilië opwindender dan het verslag van de armzalige Indianen. Lévi-Strauss moest wel besluiten - en dat is wat de tropen zo triest maakte - dat niet het oerwoud, maar de jonge Braziliaanse beschaving deze laatste jagers en verzamelaars zou opslokken. Maar ondanks zijn voorliefde voor de Indianen, weet hij veel moois te vertellen over die pioniers. De steden aan de kust, Rio de Janeiro en Sao Paulo, hebben al een eigen geschiedenis, een eigen decadentie zelfs, en wie aan de hand van de schrijver de sociëteiten bezoekt, waant zich in een van de zwoele romans van Machado de Assis.

Eenzelfde romantische gewaarwording heeft de lezer bij de verhalen over de frontier, het grensgebeid tussen het moderne leven en de wildernis. Lévi-Strauss' schets van bureaucraten die een nieuwe hoofdstad in de rimboe ontwerpen, en van Franse hereboeren 'going native' op hun hacienda tussen de gaucho's, behoren tot de grote koloniale literatuur. De lezer ruikt het verval in de nederzetting van diamantzoekers, waar zich op de verrotting en vuilnishopen alweer nieuwkomers vestigen met verse dromen. Als hij schrijft dat de slager in Cuiaba maar één wens koestert: dat toch ooit een circus naar de stad mocht komen, wrijft de lezer zich in de ogen. Heeft hij een Franse antropoloog in handen of García Márquez?

Tristes Tropiques is een wijsgerig-politieke omzwerving. In het spoor van oude ontdekkingsreizigers en moralisten die in exotische zeden een voorbeeldige of schrikwekkende vroegere mensenstaat herkenden, geeft Lévi-Strauss lucht aan zijn afkeer van de moderne beschaving. Achter de romantische pioniers rukt een erosie op die niet alleen de bodem kaalslaat. Onze massale en mechanistische producten steken zielloos en ongedistingeerd af bij de arme, maar beschilderde Bororo. Voor ons eigen welzijn zou het beter zijn geweest als de mensheid 'het juiste midden' had weten te houden tussen de passieve primitiviteit en de tomeloze activiteit van ons egoïsme, haalt hij Rousseau instemmend aan.

Maar het kan erger. De Indianen zijn de laatste bewoners van het verloren paradijs, maar in het Verre Oosten ligt de hel die ons wacht. De lange intermezzo's over India die hij tussen zijn Braziliaanse expedities inlast bevatten een waarschuwing. Lévi-Strauss portretteert het overbevolkte India als een schrikbeeld van fanatisme, hysterische seksualiteit en artistieke dorheid. Hij zinspeelt erop dat het Westen ternauwernood eenzelfde lot is ontlopen ten tijde van het fascisme, en dat India en de landen die erop lijken alleen via het communisme aan verdere verwording kunnen ontsnappen.

De kronkels die de lezer van de Amazone naar de Indus voeren waren veertig jaar geleden makkelijker te volgen, maar inmiddels heeft het politieke kompas zo'n opdonder gehad dat de westerse intellectueel voor wie deze reisgeschiedenis geschreven is, wel moet glimlachen om de richtingaanwijzingen van de antropoloog. Met pijn weliswaar, want de klacht van de tropen zijn anders, maar niet minder geworden.

Alleen in het 'wilde denken' werden alle mensen broeders.