De morele chipknip van Nederland

Herman Pleij: Hollands welbehagen. Prometheus, 155 blz. ƒ 19,90

Wat is er kenmerkend aan de Nederlandse identiteit, en hoe is die collectieve mentaliteit te verklaren? Herman Pleij, hoogleraar historische Nederlandse letterkunde in Amsterdam, heeft zich al eerder met deze vragen beziggehouden. Onze 'nationaal gekleurde eigenaardigheden' interesseren hem. In Het Nederlandse onbehagen (1991) trok hij op zoek naar verklaringen al lijnen naar het verleden. Niet alleen de titel, maar ook de toon van dat boek is wat minder optimistisch dan die van zijn nieuwe bundel: Hollands welbehagen.

Aan de omstandigheden is ondertussen niet zoveel veranderd. Veel van wat Pleij signaleert, zag hij ook al eerder, maar zijn beleving ervan is anders. Dat lijkt voor meer Nederlanders te gelden. Welvarend en tevreden snellen we voort; het tempo waarmee het onbehagen over onszelf in welbehagen verandert, is recht evenredig aan dat van de Europese eenwording.

Een uiting van het Nederlandse welbehagen is volgens Pleij de collectieve oranjegekte, die zich vooral rond sportwedstrijden manifesteert. Het ontstaan ervan plaatst hij ergens in de jaren tachtig, bij het schaatsen. Inmiddels wordt oranje op grote schaal als kleur gebruikt om saamhorigheidsgevoelens en stamverwantschap tot uitdrukking te brengen. Dat gebruik blijft niet beperkt tot de 'lagere standen'. Zelfs de kroonprins en staatssecretaris Erica Terpstra dossen zich bij gelegenheid uit als 'oranje boterbergen'. Pleij ziet het hoofdschuddend aan en constateert dat het op deze manier tonen van gevoelens van verbondenheid leidt tot agressie en mogelijk zelfs tot racisme. Dat geldt in elk geval niet voor het oranjelegioen. Je kunt daarvan denken wat je wilt, als agressief of racistisch staat het niet te boek. Zo vierden de Nederlandse supporters na afloop van de WK-wedstrijd tegen Ierland in 1994 zelfs een feestje met hun Ierse collega's. En ook het racisme moet men elders zoeken, bijvoorbeeld bij de supporters van Malta of bij die van het Hongaarse Ferencvçros. Enige jaren geleden tracteerden die de zwarte Nederlandse spelers bij balbezit op zogenaamde 'oerwoudgeluiden'.

Voor de herkomst van de oranjekoorts heeft Pleij een alleszins aannemelijke verklaring. Hij zegt dat het zich bezinnen op de eigen identiteit na de Tweede Wereldoorlog ernstig in diskrediet is geraakt. Maar daarmee was de behoefte aan gemeenschappelijkheid niet weg. Die vond ten slotte haar uitweg in de collectieve verering van gewone Hollandse sportjongens en -meiden. Dat is: gezelligheid in het groot. 'Gezellig' en 'gewoon', dat zijn woorden die het in Nederland uitstekend doen. En waarom de sport als uitlaatklep? Omdat wij daarin mondiaal af en toe nog een beetje meetellen. Zo wordt de glorie van de Gouden Eeuw nog enigszins herbeleefd.

Pleij schrijft behartigenswaardige dingen over Nederland, onder andere over de teloorgang van het lezen (met uitzondering van het lezen dat direct nut heeft), de onvermijdelijke onderwijshervormingen (die nooit een verbetering zijn), de nonchalante omgang met onze taal en ons cultuurgoed, en over de typisch Nederlandse kunst van het gedogen. Gedogen is het cement van onze samenleving, stelt Pleij. Van principes kun je niet leven, overleg en compromissen moeten. We vegen de wallen schoon en kijken met opgefrist geweten weer een tijdje de andere kant op. Die 'morele chipknip', zegt Pleij, bestaat al eeuwen.

Wie Herman Pleij uitnodigt voor een lezing, een inleiding of een toelichting, is verzekerd van een gloedvol verhaal dat zichzelf lijkt te vertellen. Zo is Pleij op schrift ook. Overvloedig, eloquent, deskundig en vaak grappig. Maar toch is ook hij een product van de Hollandse moerasdelta. Bijna de helft van zijn stukken eindigt met een vraag. Alsof hij zijn stellige toon wat wil verzachten. Alsof hij de typisch Hollandse techniek van de verkleinwoordjes wil toepassen. Alsof hij het bovenal toch vooral gezellig wil houden.