Weer niets geleerd

Politici schrikken altijd achteraf, zei Ed. van Thijn ooit eens. Met achteraf bedoelde hij na verkiezingen. Vier jaar geleden was er na de raadsverkiezingen de schrik over de grote aanhang die extreem-rechts in een flink aantal gemeenten had weten te behalen. Bij eerdere lokale verkiezingen was er de schrik over de desinteresse en de daarmee samenhangende lage opkomst.

Een vast gegeven is dat schrik altijd weer wordt gevolgd door de aankondiging van ferme daden. Het signaal van de kiezer is begrepen, er zal aan verbetering worden gewerkt. Hoe vaak is er na verkiezingen waarbij de kiezers het weer eens lieten 'afweten' niet beloofd dat politici meer de wijken in zouden trekken? Een belofte die vaak ook werd ingelost, maar dan wel pas enkele weken voor de volgende verkiezingen.

Ook als gevolg van de uitslag van gisteren zullen weer diverse goede voornemens worden geformuleerd. Want met een opkomstcijfer dat voor raadsverkiezingen een laagterecord weerspiegelt, is de kritische grens opnieuw een stap dichterbij gekomen. Zeker in de wat grotere steden heeft nauwelijks iets meer dan de helft van de kiesgerechtigden de moeite genomen te gaan stemmen. In Amsterdam is de opkomst zelfs onder de 50 procent gebleven. Er zijn dus nogal wat steden waar het lokaal bestuur toch met een ernstig legitimiteitsprobleem zit. Tenzij iedereen de opvatting van VVD-leider Bolkestein overneemt die zich niet zo stoort aan een lage opkomst omdat dit er volgens hem op wijst dat mensen klaarblijkelijk weinig problemen hebben. Maar als ontevredenheid de enige drijfveer is om te gaan stemmen, zou het met de democratische burgerzin wel heel erg slecht zijn gesteld.

Er is voor gevestigde politici in de diverse gemeenten alle reden zich wel degelijk zorgen te maken naar aanleiding van de verkiezingsuitslag van gisteren. Sluipenderwijs is sprake van een afkalving van de traditionele bestuurlijke basis in gemeenten. Voor veel mensen is de noodzaak om te gaan stemmen niet aanwezig, anderen maken van de gelegenheid gebruik een proteststem af te geven. Stemmen voor de gemeenteraad heeft bij nogal wat kiezers iets vrijblijvends gekregen en dat is pas echt verontrustend.

Het herkenbaarheidsprobleem is in de lokale politiek nog groter dan in de geontideologiseerde landelijke politiek. De wederom gegroeide groep zwevende kiezers was geen uiting van ongebondenheid, maar van onwetendheid. Het lokale bestuur heeft zich totaal onzichtbaar weten te maken.

Tekenend was de slotzin van socioloog Kees Schuyt in zijn column in de Volkskrant van gisteren: “Ik begin vandaag de dag goed: ik ga nu stemmen, al weet ik bij God niet op welke partij.” Rudy Kousbroek vertolkte in deze krant een half etmaal later een soortgelijk fatalistisch gevoel toen hij zich afvroeg op wie hij moest stemmen.

Als de eenvormigheid blijkbaar zo groot is, gooien partijen die zich afficheren als anders-dan-anderen al gauw hoge ogen. Vandaar het succes van anti-establishmentpartijen als Leefbaar Utrecht en Leefbaar Hilversum. Hun nadrukkelijke aanwezigheid zal de andere partijen in elk geval dwingen zich te bezinnen op het eigen functioneren.

Dat nadenken zal tot weinig leiden als niet ook het lokale bestuurlijke systeem erbij wordt betrokken. De politiek heeft zich op het lokale vlak volledig weten te depolitiseren. Als dat niet verandert zal de teloorgang verder doorzetten. Het verschil tussen hogere ambtenaren, wethouders en raadsleden is nihil geworden. Hun werkzaamheden lopen vaak volledig door elkaar heen. Voor de burger is de burgemeester nog de enige tot de verbeelding sprekende politieke figuur. Maar uitgerekend deze persoon kan niet worden gekozen, maar wordt benoemd.

Op het lokale niveau is de paradoxale situatie ontstaan dat de problemen waarover de politici zich dienen uit te spreken zeer herkenbaar zijn (verkeersbeleid, woonlasten, welzijnsbeleid en veiligheid), maar de politici onherkenbaar. De gemeenteraad is een verlengstuk van het college van burgmeester en wethouders geworden: er wordt volop meebestuurd, maar voor een politiek debat waarin besluiten en voornemens worden afgewogen is in deze monistische structuur nauwelijks plaats. Vandaar dat het 'gewone' burgers zijn die het bestuur zo nu en dan hardhandig van een schijnbaar onomkeerbare route afhalen. De referenda in Rotterdam en Amsterdam over de vorming van stadsprovincies waren hiervan een sprekend voorbeeld. De gemeenteraden van beide steden waren in grote meerderheid voor, de burgers spraken zich er in de afgedwongen volksraadplegingen in grote meerderheid tegen uit.

Waar het in gemeenten aan ontbreekt is een politiek orgaan dat voeling houdt met de inwoners inplaats van het college van B enW.

De manier om dat te bereiken is dat in Nederland, net als in bijna alle andere landen van de Europese Unie, burgemeesters niet langer worden benoemd maar direct gekozen. Aan zo'n gekozen functionaris vervolgens de taak een eigen college van wethouders om zich heen te verzamelen. De eveneens gekozen gemeenteraad komt dan meer in de rol van controleur terecht en zal weer kunnen uitgroeien tot het forum waar de politieke afweging plaatsvindt.

Of zo'n institutionele wijziging daadwerkelijk zal leiden tot een vergroting van de politieke interesse valt vanzelfsprekend niet met zekerheid te voorspellen. Maar het zou in elk geval het proberen waard zijn. Tenzij iedereen tevreden is met een situatie waarbij gemeenteraadsverkiezingen niet veel meer zijn dan een generale repetitie voor de landelijke verkiezingen die de kiezer tevens de mogelijkheid bieden eens een keertje politiek ongevaarlijk vreemd te gaan.