Trou moet blijcken

C.O. Jellema (geb. 1936)

August von Platen

Hem baatte het niet wanneer zijn oog blonk

bij 't aanschouwen van schoonheid langs de Tiber;

al waren zijn sonnetten zwaar kaliber

hij miste kiezen, vroeg, zijn adem stonk.

Bellini, Titiaan - en altijd liep er

dwars door de peinture een romeinse bonk

die hem geen liefde, wel liederen schonk.

Waarvoor hij leefde, leed en stierf. Hij schiep er

dit monument mee van zelfmededogen:

schoonheid behelst dood, liefde heeft gelogen

lauwerkransen brengen vertraagd geluk.

Schaamte door trots, geest door natuur bedrogen.

Rijmwoord werd moord. Van wie hij was bevlogen

in een vers sloeg zijn laatste hoektand stuk.

Gedichten over dichters, dat is geen apart genre, want alle gedichten vallen daaronder. Een dichter heeft altijd een dichter als onderwerp van zijn gedicht - zichzelf. Gedichten van een dichter over een andere dichter, dat klinkt beter. Daar hebben we een genre bij de staart.

Zo'n gedicht kan een gedicht zijn op of over, een eerbetoon of een portret. Meestal is het van allebei iets - als je een gedicht over iemand schrijft vooronderstelt dat al een bewondering of verwantschap en omdat de poëzie je dwingt kernachtig te zijn en de essentie te raken ontstaan er vaak voortreffelijke portretten. Marsman schreef een gedicht Herman Gorter, Gerrit Achterberg schreef een gedicht Marsman, en hoe imago-bepalend zijn niet de regels O, Gij, die sneller schrijft dan God kan lezen! van A. Roland Holst geweest uit zijn gedicht Simon Vestdijk.

Aan, op en over Gerrit Achterberg zijn zelfs zoveel gedichten geschreven dat Wim Hazeu er een hele bundel, Dichter bij Achterberg, van kon samenstellen. En er zijn er sindsdien weer een aantal bij gekomen.

Het heeft - dat is het bezwaar - soms iets van inteelt als dichters hun levende collega's bezingen. Het liefst zie ik ze dichters portretteren uit een ander land, uit een andere eeuw - ver en dood. Dan is de factor herkenning en zelfportret het sterkst, dan geeft de dichter het meest van zichzelf bloot. Dan zijn er geen neveneffecten als stroop om de mond of dank voor geleende tientjes.

Graf August von Platen is de dichter die C.O. Jellema bij de horens vat. Duitsland, eerste helft van de negentiende eeuw. Homoseksueel. Dichter van gebeeldhouwde verzen. Dagboekschrijver. Verguisd. Ook met gedichten van Nederlandse dichters over Platen zou inmiddels een boekje te vullen zijn - een poëtisch Platen-dossier. Willem Kloos schreef een sonnet An Platen - in het Duits. Albert Verwey nam hem als onderwerp. Willem de Mérode schreef zelfs drie gedichten met Platen in de hoofdrol. Ook Jellema schreef nog een tweede gedicht dat door hem is geïnspireerd, Von Platen in Trastevere.

En dan de Nederlandse dichters die hem hebben vertaald... Hélène Swarth, Victor van Vriesland, Hans Warren en, opnieuw, C.O. Jellema.

Diens vertaling van drie sonnetten van Platen staat in de bundel Sacra conversazione die in 1995 verscheen, enkele jaren na de verzamelbundel waaruit bijgaand portret afkomstig is. Platen is voor Jellema duidelijk meer dan een vluchtige voorkeur. Zo iemand heeft iets met zo iemand - en naar zo'n portret zijn we extra nieuwsgierig. Vaak staat er iets memorabelers in dan in de dikste biografie.

Hem baatte het niet - zo begint Jellema's sonnet, met de nadruk op het eerste woord. Anderen soms wel. Platen wordt meteen in zijn rol van afgewezen lelijkerd geduwd. Hier hebben we van doen met een gefrustreerde cruiser. Al het hooggestemde over Platen - de helder schemerende winternacht in Rome, de dood in Venetië, het Wie de schoonheid zag met eigen ogen / Is reeds aan de dood ten prooi gegeven

(vertaling Victor van Vriesland) - wordt onmiddellijk gerelativeerd. Er klinkt spot door in de kwalificatie 'zwaar kaliber'. De licht ironische toon wordt volgehouden met het 'dwars door de peinture' en de daarmee hevig contrasterende 'romeinse bonk' die hem geen liefde, wel liederen schonk. Ja, liederen die meneer de graaf zelf moest maken. Maar met de woorden 'leefde, leed en stierf' wordt de dichter Jellema weer ernstig. Door zijn eerdere relativering geloven we in zijn ernst.

De dichter gebruikt het woord 'monument' - een gewichtig woord zelfs. In de laatste vijf regels moet dat monument gestalte krijgen en daarin moet veel worden samengebald. De dichter heeft er zich, met zijn aankondiging, zelf toe verplicht.

In vijf regels staat daar dan de essentie van Platens leven en werk. Zijn luidste credo, zijn stilste drijfveren. Gedichten van dichters over dichters zijn een soort Reader's Digest, een ideale literatuurgeschiedenis.

Want korter kan het niet. Dat er zoveel mogelijk op een zo klein mogelijke oppervlakte wordt gezegd, daarvoor zorgt de poëzie.

Met de 'laatste hoektand' keert ten slotte iets van de ironie terug, maar ze heeft een scherpe, bittere kant gekregen. Er werd dan ook niets minder dan het artis natura magistra op z'n kop gezet. De kunst kwam voor Platen niet uit het leven voort, het leven reageerde op de kunst. En niet zachtzinnig.