Lastig einde kasreserveperiode

AMSTERDAM, 5 MAART. Het einde van de vorige kasreserveperiode op 26 februari is, net als een maand eerder, met enig ongemak gepaard gegaan. Dat blijkt vooral uit het forse beroep dat de banken die dag deden op de dure marginale voorschotfaciliteit (558 miljoen gulden) terwijl zij tegelijk 1,5 miljard gulden minder opnamen via de goedkopere vaste voorschotfaciliteit. Hoe kan deze samenloop van ontwikkelingen worden verklaard?

Enkele grotere geldmarktpartijen hebben aan het einde van de kasreserveperiode besloten de laatste dagen ruim 1,5 miljard gulden aan vaste voorschotten 'te laten lopen'. Zij verwachtten waarschijnlijk dat de daggeldrente aan het einde van de kasreserveperiode omlaag zou duiken, een inmiddels gebruikelijk patroon. DNB stelt de banken in staat aan het begin van de kasreserveperiode meer kasreservegelden aan te houden dan gemiddeld noodzakelijk is. Omdat zij over dit surplus echter geen rente ontvangen, zetten zij deze middelen aan het einde van kasreserveperiode uit op de geldmarkt. Dat drukt de daggeldrente. Daalt die onder het tarief op de vaste voorschotten (2,75 procent), dan kunnen geldmarktpartijen een voordeel halen door zich voor zeer korte financiering te wenden tot de geldmarkt in plaats van DNB.

Waarschijnlijk heeft deze strategie dit keer maar ten dele gewerkt. Op woensdag 25 februari lag het daggeldpercentage inderdaad laag (tussen de 1,25 en 2,75) en werden nauwelijks marginale voorschotten bij DNB opgenomen. Op donderdag echter was een zeer fors beroep op de 'noodfaciliteit' van DNB nodig. Geldmarktpartijen zijn verplicht van deze faciliteit gebruik te maken indien zij niet aan hun kasreserveverplichting dreigen te voldoen. Het tarief voor dit beroep op DNB is hoog: 4,5 procent.

Waarom koos men de laatste dag voor deze relatief dure optie als de daggeldrente die dag 'slechts' tussen de 2 en 3 procent lag? Mogelijk was er die middag een absoluut tekort aan middelen in de markt doordat meer partijen hun vaste voorschotten, waarop 's morgens moet worden ingeschreven, 'lieten lopen'. Een andere verklaring is dat het overschot aan middelen op de geldmarkt 'niet los kon komen', omdat het verspreid zat bij vele kleine partijen.

Ter illustratie: een kleine partij die gemiddeld een bedrag van 100 miljoen gulden op haar kasreserverekening moet aanhouden kan - indien zij 30 dagen lang 110 heeft aangehouden - de besparing van 300 miljoen gulden de laatste dag niet in een keer in de geldmarkt uitzetten. Zij zou dan immers een negatief saldo op haar kasreserverekening krijgen, en dat staat DNB niet toe.

Bron: ING Economisch Bureau.