Huldeblijk aan Engelse regionale musea

Art Treasures of England. The Regional Collections. Royal Academy of Arts, Piccadilly, Londen W1. Tot 13 april dagelijks van 10.00 tot 18.00 uur.

LONDEN, 5 MAART. 'Let's Not Be Stupid' heet het monumentale, stalen beeld van Richard Deacon dat tijdelijk op de binnenplaats van de Royal Academy in Londen geparkeerd staat. Het is het 411e en laatste werk van de expositie Art Treasures of England, die een verbluffend overdadig beeld geeft van het beste wat de regionale musea hebben te bieden. 'Laten we niet dom doen' dient ook als motto van het overzicht.

De eerste en tevens laatste keer dat een dergelijke tentoonstelling werd gehouden, was in Manchester 141 jaar geleden. Buiten Londen kende Engeland alleen musea die aan universiteiten waren verbonden: in Manchester, Londen en Cambridge. De overzichtsexpositie trok meer dan één miljoen bezoekers. Het leeuwendeel van de duizenden tentoongestelde werken was aan privé-collecties ontleend.

Het massaspektakel in Manchester markeerde het begin van een tijdperk. Victoriaanse deugden als burgermanszin en de drang om het volk te verheffen culmineerden in een wildgroei van musea. Museumbezoek groeide nog voor de eeuwwisseling uit tot meest populaire vrijetijdsbesteding van Engeland, vooral onder de armen. De belangstelling liep sterk terug in het interbellum. Maar Engelse musea beleefden na de Tweede Wereldoorlog een nieuwe renaissance. Er ontstonden ook weer nieuwe musea, hoewel verhoudingsgewijs minder dan in Frankrijk, Duitsland en Nederland.

Markeert de expositie in de Royal Academy het einde van een tijdperk? Die vraag stellen de samenstellers expliciet. Na jaren van dalende subsidies en teruglopende bezoekersstromen dreigen de meer dan honderd regionale musea tot rariteitenkabinetten te verworden. Slecht onderhouden. Met achterhaalde voorzieningen. Drijvend op de goede wil van vrijwilligers. “We hebben een nieuwe nationale strategie nodig voor musea en galerieën in het hele land.” Met die noodkreet besluit de expositie in de Royal Academy.

De tentoonstelling is evenzeer huldeblijk als laatste eerbewijs. Ze laat zien wat er op het spel staat als regionale musea het lot van dinosaurussen dreigen te volgen. Ze illustreert wat een rijkdom er in de provincie ligt bewaard. Wie verwacht El Greco en Goya in Durham, Van Gogh in Walsall, Cezanne in Sheffield? Wie rekent op Kurt Schwitters in Kendal, Theodore Gericault in Truro, Poussin in Liverpool?

De selectie in Londen is even divers, exotisch en prachtig als de Engelse regionale musea zijn. Ze strekt zich uit van veertiende eeuwse altaarstukken via zeventiende eeuwse Nederlandse meesters tot impressionisten en modernen. Veel kaf maar ook veel koren. In de zaal met moderne werken op papier vullen internationale groten als Modigliani, Picasso, Pisarro, Brancusi, Van Gogh, Monet en Degas achteloos dezelfde wand.

De overzichtstentoonstelling laat zich lezen als een geïllustreerde geschiedenis van de regionale musea. Bestuurders, financiers en adviseurs worden uitgebreid geëerd maar ook met knipoog op de hak genomen. 'The Art Connoisseurs' van Richard Cosway toont zes statige heren die verlekkerd naar borsten en billen van een Venus van Milo turen. Gulp geopend. Hand in broekzak. Een groepsportret van een museumcommissie, door Henry Stacy Marks, laat een bonte verzameling van kakatoes en papegaaien zien.

Regionale musea interesseerden zich meestal in de eerste plaats voor Britse kunst van tijdgenoten. Dat betekende in de tweede helft van de vorige eeuw dat ze voornamelijk Victoriaanse schilderijen kochten die sinds de jaren twintig als kitsch en soft-porno zijn verguisd. Toch zijn de samenstellers er niet voor teruggedeinsd om de Grote Zaal van de Royal Academy juist voor werk uit die periode in te ruimen. Schilderijen zijn gehangen zoals indertijd gebruikelijk was: lijst aan lijst, van vloer tot plafond. Daardoor ontstaat een overdaad aan klatergoud die verplettert en een lichte misselijkheid wekt.

Drie van de dertien zalen zijn ingeruimd voor twintigste eeuwse werken. Dat lijkt onevenredig veel want aan de meeste regionale musea is de moderne kunst volledig voorbijgegaan. Maar musea in Leeds, Birmingham en Southampton, Oxford en Cambridge vormen een uitzondering op die regel. Van Marc tot Gauguin, van Hodgkin tot Freud, van Hockney tot Gilbert and George, zij illustreren hoe verbluffend waardevol de provinciale, Engelse musea zijn.