Hoe premier Kok boos werd

Wim Kok was knorrig.

Er is bij hem geen ander woord voor als hij zijn greep op zijn wenkbrauwen en mondhoeken heeft verloren. 'Chagrijnig' is te zuur, 'grimmig' te agressief. Hij had er gewoon een beetje genoeg van. Doodop van alle inspanningen was hij naar het Hilversumse raadhuis getogen om samen met Bolkestein, Borst, De Hoop Scheffer en Rosenmöller bij de NOS de gemeenteraadsverkiezingen na te beschouwen.

Het gezelschap beviel hem maar matig. Dat zat daar maar te ratelen en te zwatelen over procentjes, alsof ze niets anders aan hun hoofd hadden. Nou, dat hadden ze dan ook niet. Hij had al die tijd het landsbelang moeten bewaken, maar zij? Hij liet zijn blik over zijn gesprekspartners dwalen.

Daar had je Bolkestein: was niet eens in staat die ouwe zeur van Wiegel aan de lijn te houden. Borst: goed mens, prima mens zelfs, maar hij moest toch nog eens aan Van Mierlo vragen wat hij nou precies in haar had gezien. De Hoop Scheffer: goede jogger, middelmatig politicus. En dan kwam het ergste: Rosenmöller.

Over Rosenmöller kon hij zich mateloos opwinden. Luchtfietser. Beeldbuispoliticus.

Nimmer had hij ook maar één realistisch, constructief idee uit die altijd bewegende mond - het leek wel een mitrailleur - horen komen, maar toch zat meneer erbij alsof hij president van Amerika was geworden. “Een historische uitslag”, kraaide dat rijkeluiszoontje. “De beste uitslag ooit!” En: “Ik ben nu even aan het genieten van deze geweldige uitslag!”

Zijn maag draaide om, hij wist dat hij beter poeslief kon blijven, maar tegelijk voelde hij de onbedwingbare neiging opkomen om dit populaire keffertje alle hoeken van de zaal te laten voelen. Maar hij hoorde de stem al van zijn campagneleider: “Wim, rustig nou, kan altijd nog.”

Goed, hij zou zich rustig houden, althans, zo rustig mogelijk. Maar wat hoorde hij Pedante Paultje daar opeens zeggen? Dat het hem, Kok, “zou sieren als hij dat verwijt van 'extreem links' aan het adres van GroenLinks terugneemt”? Wel, allemachtig, dit ging te ver. 'Terugnemen'? Hoezo? Had dit gemankeerde havenbaronnetje wel eens wat van zijn utopische bellenblazerij teruggenomen? Hij voelde het bloed naar zijn wangen stijgen, o heerlijke roes van de spontane woede.

“Ik wil eerst even wat over mijn eigen partij zeggen”, zei hij ijzig tegen gespreksleider Witteman, “dat hebben de anderen ook mogen doen. Wij hebben enorme winst geboekt.”

“U neemt de regie nu over?” jende Witteman. “Heeft u nu wel of niet spijt van dat 'extreem links'?”

Alsof er een dolkje in zijn rug gepriemd werd. Van je eigen mensen moest je het vooral hebben. 'Spijt'? Over zijn lijk. “Je kunt die partijen ook uiterst links noemen”, zei hij met enorme zelfbeheersing. “Als ik zo'n SP hoor, die stemmen alleen maar tégen.”

“Maar dat 'extreem links' is van de baan”, hield Witteman aan.

Dit was geen jennen meer, dit was sarren. Wat dachten ze wel? Dat hij naar dat dorp van Jan Nagel - ook al zo'n triomfalistisch ettertje - was gekomen om zich te laten schofferen? Hij keek Witteman strak aan. “Het is uiterst links”, herhaalde hij. “Zij zijn linksbuiten, wij linksbinnen. Hun ideeën staan soms ver van de realiteit.”

Hij wilde al bevrijd ademhalen toen Rosenmöller hem vanachter de tafel trof met een linkse hoek die ontegenzeggelijk extreem hard was: “Ik denk dat de premier die uitspraak deed in een moment van verwarring.”

Hij snakte naar lucht, en het debat ging even zonder hem verder. Maar al snel voelde hij diep van binnen een staalhard voornemen groeien: dit kon niet ongewroken blijven. Hij deed alsof hij naar het geflikflooi tussen Borst en Bolkestein (“Lieve Els”, fleemde Bolk, alsof hij niets had geleerd) luisterde, maar intussen prepareerde hij zijn tegenstoot.

Ah, daar was zijn kans. Of hij met GroenLinks wilde regeren? “Het is linkse protest-politiek”, zei hij droog.

“Nu gaat u weer in de fout”, piepte Rosenmöller.

Je had het nodig, dacht Wim Kok.