Het grijze front aan de macht

Behalve leuk, is boekhouden ook eenvoudig. Het is hoofdzakelijk een kwestie van logisch groeperen van cijfers, optellen en aftrekken. Koopkrachtplaatjes zijn een vorm van veredeld boekhouden. Om na te gaan of en hoeveel iemand er dit jaar ten opzichte van het afgelopen jaar op vooruitgaat, vergelijken de cijferaars in Den Haag het bruto- en netto-jaarinkomen van denkbeeldige Nederlanders in 1998 met dat in 1997.

Bij de afleiding van het netto-inkomen uit het bruto-inkomen worden de in beide jaren geldende fiscale en sociale wetten nauwgezet toegepast. Doorgaans tonen de berekeningen een stijging van het netto-inkomen. Maar de prijzen gaan gemiddeld genomen ook omhoog. Wordt tevens rekeninggehouden met de geraamde oploop van de kosten van levensonderhoud, dan rolt uiteindelijk een cijfer voor de koopkrachtontwikkeling uit het rekentuig.

In deze column is tot twee keer toe (op 29 april en 5 augustus 1997) voorgerekend dat met name 65-plussers met een aanvullend pensioen tussen de tienduizend en veertigduizend gulden er dit jaar enkele procenten in koopkracht op achteruit zouden gaan, door een ingewikkeld samenstel van wijzigingen in de fiscale en sociale wetgeving. In strijd daarmee suggereerde de regering op prinsjesdag dat bijna iedereen dit jaar reëel meer te besteden zou hebben. Die mededeling was destijds al aantoonbaar onjuist. Daar kwamen enkele honderdduizenden mensen met een bovenminimaal pensioen of uitkering snel achter, toen zij in januari van dit jaar hun bankafschrift kregen.

Aanvankelijk verweerde minister Melkert zich tegen de aanzwellende stroom kritiek met de op zich juiste opmerking dat koopkrachtberekeningen berusten op een vergelijking van jaarinkomens. Niet alle inkomensverbeteringen die in de loop van 1998 plaatsvinden zijn direct in januari 1998 merkbaar. Maar de bewindsman had boter op zijn hoofd. Veel gepensioneerden gaan er dit jaar wel degelijk (wat) op achteruit. De ambtenaren hebben gewoon verkeerde sommen gemaakt. Vervolgens ontrolde zich een weinig verheffend spektakel.

Indachtig de sterke winst van de ouderenpartijen bij de vorige Kamerverkiezingen eiste het hele parlement stante pede koopkrachtherstel. Het kabinet zwichtte voor de aandrang en raakte vervolgens verstrikt in slopende debatten over de meest geschikte manier om de koopkrachtschade te repareren. Ambtenaren op Sociale Zaken dachten aanvankelijk aan een lager belastingtarief voor bejaarden. Zij werden ijlings gecorrigeerd door hun collega's van Financiën. De belastingrechter zal een afzonderlijk lager tarief vermoedelijk in strijd met het gelijkheidsbeginsel verklaren. Een ambtelijke Tom Poes bedacht de verlossende list. Het belastingtarief van de eerste 'schijf' gaat straks voor iedereen met 1,75 procentpunt omlaag. Wie jonger is dan 65 jaar wordt daar evenwel geen cent wijzer van, omdat het AOW-tarief tegelijk met 1,75 punt wordt verhoogd. Bejaarden betalen geen AOW-premie. Zij hebben per saldo dus voordeel van de operatie.

Door de AOW-premie te verhogen, schendt het kabinet een belofte die nog slechts een jaar oud is: de premie zou niet verder stijgen en worden geplafonneerd op 16,5 procent. Wegens de vergrijzing heeft het AOW-fonds steeds meer geld nodig. Om te voorkomen dat het premieplafond een gat in het fonds doet ontstaan, zou in de toekomst uit de algemene middelen worden bijgestort. Ouderen gaan zo indirect meebetalen voor de AOW. Door de woordbreuk van het kabinet valt dit zeer gewenste effect weg. Daarnaast krijgen mensen met een uitkering dit jaar hogere aftrekposten. De ouderenaftrekken gaan omhoog. Iedereen met een uitkering mag zonder nader bewijs een bedrag voor kosten aftrekken. Dit kosten 'forfait' voor niet-actieven gaat eveneens omhoog (met 400 gulden), evenals de zelfstandigenaftrek (met 335 gulden). De belastingrechter gedoogt dit soort inbreuken op het beginsel van gelijke behandeling wanneer sociale of economische overwegingen voor de wetgever bij invoering de doorslag hebben gegeven. Deze maatregel holt de grondslag van de loon- en inkomstenbelasting met ruim twee miljard gulden uit. Zo'n uitkomst staat haaks op het streven naar grondslagverbreding, waarop het kabinet zo hamert in de recente Belastingverkenning 21ste eeuw. De komende weken gaat de benodigde wetgeving in sneltreinvaart door het parlement. De uitvoeringsorganisaties hebben beloofd dat de uitkeringen in april voor het eerst merkbaar omhoog gaan. Een paar weken later zijn de verkiezingen.

Parlement en regering moeten zich schamen. Niet eens zozeer voor dit weerzinwekkende staaltje van politiek opportunisme. Maar vooral wegens de strijdigheid van de koopkrachtmaatregelen met eerdere beloften en beleidsvoornemens, en omdat de financiering van de maatregelen, waarmee 850 miljoen gulden is gemoeid, nog lang niet rond is. Het benodigde geld wordt later gezocht, wellicht ten laste van zorg en onderwijs. In die sectoren is het echter harder nodig dan voor inkomenssteun aan bejaarden met een behoorlijk aanvullend pensioen en aan zelfstandigen. De verhoging van de kostenaftrek leidt tot een hoger netto-inkomen voor iedereen met een uitkering. Het wordt daardoor financieel nog minder aantrekkelijk betaald werk te aanvaarden. Meer mensen raken dieper in de armoedeval. De op handen zijnde tegemoetkomingen zijn bovendien permanent. Worden ze later teruggedraaid, dan gaan ouderen meer achteruit dan anderen. Dat zal steeds moeilijker worden, gezien de groeiende invloed van een grijs front, dat zijn macht dezer dagen overtuigend heeft gedemonstreerd.