Grote partijen aan elkaar gewaagd

Na alle politieke aardverschuivingen van vier jaar geleden zijn de uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen weinig spectaculair. Met uitzondering van D66 ging geen enkele partij er meer dan drie procentpunt op voor- of achteruit.

ROTTERDAM, 5 MAART. De opkomst was gisteren lager dan die ooit is geweest bij gemeenteraadsverkiezingen. Van een onrustbarend lage opkomst is echter geenszins sprake, meent Cees van der Eijk, als hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam gespecialiseerd in kiezersgedrag. De 59,6 procent ligt maar net onder de opkomst van acht jaar geleden. Opiniepeilers hadden vorige week voorspeld dat tachtig procent van de jongste kiezers thuis zou blijven. Die voorspellingen blijken er ernstig naast te zitten: op basis van enquêtes bij de uitgang van de stembureaus constateerde het bureau Inter/View dat de opkomst bij 18 tot 24-jarigen 48 procent bedroeg, nauwelijks minder dan die van de leeftijdsgroep daar net boven. De verdeling van de opkomst over de leeftijdscategorieën vertoont ook verder het gebruikelijke beeld: ouderen zijn trouwere stemmers dan jongeren.

Een lage opkomst kost de ene partij meer stemmen dan de andere. Immers, de trouwe stemmers - ouderen, gereformeerden, mensen met hogere inkomens - zijn niet gelijkelijk over alle partijen verdeeld. De kleine christelijke partijen hebben het trouwste electoraat en hebben dan ook enkele tientallen raadszetels winst geboekt. Van de grote partijen is de positie van het CDA het meest interessant. Vroeger had het CDA inderdaad een wat oudere aanhang, aldus Van der Eijk, maar die groep neemt nu eenmaal in omvang af. In de hoogtijdagen van Lubbers heeft het CDA echter nogal wat nieuwe, jonge kiezers getrokken. Degenen die midden jaren tachtig voor het eerst stemden en toen hun heil zochten bij het CDA, blijken nog steeds relatief veel op het CDA te stemmen.

Inter/View vroeg ook de thuisblijvers wat ze zouden hebben gestemd als het nu Tweede-Kamerverkiezingen waren geweest. Als men kan afgaan op die antwoorden, ligt er met name voor VVD en PvdA nog aanzienlijk meer in het verschiet dan voor het CDA: 11 procent van de thuisblijvers zou CDA stemmen, 28 procent PvdA en 36 procent VVD. Gezien dit soort grote verschillen is het dan ook een hachelijke zaak om uit de uitslagen van deze raadsverkiezingen landelijke conclusies te trekken. De poging die Inter/View daartoe gisteravond in opdracht van de NOS deed, vindt Van der Eijk niet geslaagd: “Het instrument 'landelijke trend' dat Inter/View voor de NOS heeft ontwikkeld, is vooral een schepping die haar eigen nieuws creëert, waarop dan vervolgens allerlei mensen reageren. De betekenis ervan blijft echter onduidelijk.”

Eigenlijk is een uitspraak over wat de grootste partij is niet te doen bij verkiezingen zoals die van gisteren. Het CDA kreeg in totaal de meeste stemmen en ook de meeste zetels. De lokale partijen bezetten samen de derde plaats in stemmental, de tweede plaats in zetels. GroenLinks won vooral in percentage van de stemmen ten opzichte van de Kamerverkiezingen flink, maar dit werd niet evenredig vertaald in meer zetels. Geen wonder, want ten opzichte van de vorige raadsverkiezingen was de stemmenwinst gering. Ook de winst van de SP is bij nadere beschouwing minder spectaculair dan die lijkt. Van de ruim zeventig zetels die de partij erbij krijgt, is meer dan de helft veroverd in gemeenten waar de SP vier jaar geleden niet meedeed. VVD en PvdA zijn eigenlijk de grootste winnaars.

Kleinere winnaars van raadsverkiezingen moeten niet te snel denken dat ze daarmee ook bij de komende Kamerverkiezingen met de eer kunnen strijken. Vier jaar geleden verloor de SP bij de Kamerverkiezingen in de gemeenten waar de partij meedeed aan de raadsverkiezingen ruim de helft van zijn aanhang. Ook GroenLinks hield de sterke positie bij de raadsverkiezingen niet vast. Als straks de machtsvraag aan de orde is, kiezen mensen toch eerder voor PvdA of VVD. Raadsverkiezingen zijn wat dat betreft vrijblijvender en worden door politicologen daarom wel tweederangsverkiezingen genoemd.

Opmerkelijk noemt Van der Eijk dat extreem-rechts vrijwel is weggevaagd: de partijen houden er van hun 42 raadszetels slechts twee over. Aangezien stemmen op extreem-rechts vooral zijn te karakteriseren als proteststemmen, constateert Van der Eijk dat de behoefte aan protest kennelijk niet zo groot is. “Er is minder ontevredenheid dan vier jaar geleden.” Ook het onderwerp 'buitenlanders' is als electoraal issue niet echt beklijfd.

De nederlaag van D66 is spectaculair: de partij verloor ongeveer de helft van zijn raadszetels en zijn kiezers. Volgens de exit polls van Inter/View heeft slechts zeventien procent van degenen die bij de Kamerverkiezingen van 1994 op D66 heeft gestemd, dat nu weer gedaan. Ruim een derde bleef thuis en zestien procent gaf de voorkeur aan een lokale partij: daarmee was D66 al de helft van zijn electoraat kwijt. De verliezen aan de grote partijen zijn daarbij vergeleken gering. De PvdA profiteert nog het meest van het afkalven van de democraten.

Zeer wisselend is het beeld bij de lokale partijen, wat natuurlijk deels voortvloeit uit de aard ervan. In vele gemeenten verloren ze tientallen procenten, in andere wonnen ze spectaculair. Het aantal gemeenten waarin werd verloren was echter groter dan het aantal gemeenten waarin werd gewonnen. Het percentage stemmen dat de lokale partijen samen haalde was vrijwel gelijk aan dat vier jaar geleden in deze gemeenten. De spectaculairste winsten behaalden lokale partijen vooral in gemeenten waar ze vanouds geen rol spelen, zoals in Hilversum en in Utrecht. Hier speelt duidelijk onvrede met de lokale politiek in den brede.

In het zuiden van het land, traditionele bolwerken van lokale partijen, won met name het CDA iets terug van het terrein dat de christen-democraten vier jaar geleden verloren.