Angst en bruut geweld beheersen explosief Kosovo

In Centraal-Kosovo is vanochtend een grote militaire operatie van de Serviërs begonnen tegen twee Albanese dorpen.

PRIINA, 5 MAART. Het checkpoint bij Podujevo is rustig, verdacht rustig. Twee zwaar bewapende Servische politiemannen staan bij een pantservoertuig terwijl een derde de papieren controleert van iedereen die het gebied binnengaat waar de Albanezen een overgrote meerderheid vormen. De Serviërs zijn op hun hoede, maar tevergeefs. Een halfuur later wordt een van hen het slachtoffer van een nieuwe aanslag van het Bevrijdingsleger van Kosovo (UÇK).

Het is de eerste geweldadige reactie op de gruwelijke moordpartij van het afgelopen weekeinde waarbij zeker 25 Albanezen om het leven zijn gekomen.

Een paar uur later, als het net donker wordt, klinken plotseling schoten in het centrum van Priina, de hoofdstad van Kosovo. Een paar mannen legen hun automatische wapens op een politiebureau en rennen de donkere nacht in. Er vallen geen slachtoffers, maar de boodschap is duidelijk. De UÇK kan de Serviërs overal treffen: in het afgelegen berggebied Drenica, waar de Servische politie de afgelopen maanden herhaaldelijk in hinderlagen is gelopen, bij Podujevo op de belangrijkste verbindingsweg met de rest van Servië en ook in de hoofdstad zelf.

Een paar dagen na het gewelddadigste weekeinde uit de jongste geschiedenis van Kosovo - waarbij zeker dertig mensen om het leven kwamen - zijn de straten van Priina weer druk en de winkels open. Het volksprotest (dat maandag ongekend hard uit elkaar werd geslagen) is voorbij, de dag van algemene rouw is voorbij en het gewone leven lijkt op gang te komen. Maar volgens Veton Surroi, hoofdredacteur van het dagblad Koha Ditorë, die zelf maandag in elkaar is geslagen, is iedereen tot het uiterste gespannen. In de confrontatie tussen Serviërs en Albanezen is een nieuwe fase ingegaan en niemand weet hoe het zal aflopen.

Pagina 5: 'Niets is meer hetzelfde'

Drie dagen later staren de Albanezen nog verbijsterd naar de foto's van de slachtoffers in de krant Koha Ditorë: jongemannen met verbrijzelde schedels, een zwangere vrouw met een weggeslagen hoofd. Dat brute geweld kan volgens een verslaggever van Koha Ditorë alleen maar zijn uitgevoerd door mensen die weten hoe je met een geweerkolf op iemand in kunt slaan en weten hoe je moet doden.

Langzaam worden de details bekend over wat er zaterdag gebeurd moet zijn in het dorp Likon in de bergstreek Drenica. Na de zoveelste aanslag van het Bevrijdingsleger tegen Servische politiemannen voerden speciale politie-eenheden een strafactie uit. Er is in het wilde weg geschoten op iedereen die bewoog. Daarbij vielen ten minste twintig doden. Veertien Albanezen werden gevangen genomen en naar later bleek, in koelen bloede vermoord. Tien van hen kwamen uit één familie, de jongste was zestien, de oudste zeventig. Uit kruitsporen rond de schotwonden is te zien dat de meeste slachtoffers zijn gemarteld en vervolgens van dichtbij zijn doodgeschoten.

Het Rode Kruis kreeg pas maandag toegang tot een deel van het gebied. Het stadje Srbica was toen een spookstad. De Albanezen hadden zich verschanst in hun zwaar ommuurde huizen, de Serviërs die er wonen bleken drie dagen eerder vertrokken - al voor het politie-optreden dus, dat voor niemand onverwachts leek te komen. Alleen de plaats was een verrassing. Het dorp Likon was niet één van de belangrijkste bolwerken van de UÇK. De indruk bestaat dat de Servische politie een voorbeeld heeft willen stellen.

Ooggetuigen zeggen gezien te hebben hoe de Servische eenheden zich na de moordpartij in alle rust in een boerderij uitgebreid tegoed deden aan eieren en vlees. Er zijn sterke aanwijzingen dat de actie is aangevoerd door ene 'Frenki', die aan het hoofd zou staan van een speciale Servische antiterreureenheid. En Frenki, weet iedereen in Priina, is een beruchte Serviër die aan de wieg heeft gestaan van het Servische geweld in Bosnië en bevriend is met de beruchte militieleider Arkan.

Intussen is een deel van het Drenica-gebied nog steeds afgegrendeld van de buitenwereld. Het Rode Kruis heeft geen toegang tot de meest zuidwestelijke streek van Kosovo, rond PeEÉc. Mogelijk zijn er nog steeds acties gaande. Niemand weet het, telefoonverkeer is onmogelijk.

“Na dit weekeinde zal niets meer hetzelfde zijn”, zeggen de jonge redacteuren van Koha Ditorë. “Zo veel bloed hebben we in onze levens nog niet gezien.” Hoofdredacteur Surroi beaamt dat de strijd zich verhardt. Hij omschrijft de nogal schimmige UÇK als een losse groepering van dorpsbewoners die hun basis hebben in het afgelegen berggebied. “Binnenkort zegt ieder jongetje dat een geweer heeft bemachtigd dat hij strijder is van de UÇK.” En echt moeilijk is het niet om in Kosovo aan een geweer te komen, want veel wapens die een jaar geleden uit de wapendepots in Albanië werden gestolen hebben hun weg gevonden naar de broeders in Kosovo.

Het belangrijkste is volgens Surroi dat de politieke leiders van de Albanezen in Kosovo hun geloofwaardigheid verspeeld hebben door jarenlang vast te houden aan vreedzaam verzet zonder dat dat iets heeft opgeleverd. Een dialoog met de Servische autoriteiten over herstel van de Albanese rechten die in 1989 werden ingetrokken, blijkt onmogelijk. De Albanezen blijven opgesloten in hun eigen schaduwmaatschappij, zonder enig perspectief.

Hierdoor, zegt Surroi, hebben Albanese leiders als Ibrahim Rugova (de door de Serviërs niet erkende president van de al evenmin erkende 'Republiek Kosovo') hun greep op het radicale verzet verloren. “Er is een politiek vacuüm en de frustratie onder de jongeren wordt alleen maar groter.”

Van de missie van de Brit Robin Cook naar Belgrado verwacht Surroi weinig. “MiloviEÉc kun je alleen maar tot een echte dialoog met ons dwingen als je ervoor zorgt dat jij degene bent die de regels van het spel bepaalt. Maar zover wil de internationale gemeenschap niet gaan. Bovendien hebben ze MiloviEÉc op dit moment nodig om de gematigde Serviërs in Bosnië in het zadel te houden.”