Zaak-Brinkman: onherstelbare en dure breuk

De rechtbank in Den Haag kende gisteren de ontslagen Rotterdamse korpschef J.W. Brinkman in totaal vijf jaarsalarissen toe, omdat korpsbeheerder burgemeester Peper mede verantwoordelijk is voor het conflict dat tot Brinkmans vertrek leidde.

ROTTERDAM, 4 MAART. Het gaat om een “onherstelbare breuk” tussen beheerder en chef van het Rotterdamse regiokorps, zo meende de Haagse rechtbank gisteren in haar vonnis in de zaak-Brinkman. De rechtbank was tevens van oordeel dat minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) de Rotterdamse korpschef terecht heeft ontslagen, omdat er geen vertrouwensbasis meer was tussen Brinkman en de bestuurlijke top van de politieregio, dat wil zeggen tussen de korpsbeheerder en het regionaal college, bestaande uit de burgemeesters van de Rijnmondgemeenten.

De Rotterdamse burgemeester Peper heeft volgens de rechtbank in zijn functie van korpsbeheerder “welbewust een situatie laten ontstaan die overeenstemming definitief onmogelijk maakte, terwijl er mogelijk nog een kleine kans op overeenstemming bestond”.

Bij het bepalen van de financiële regeling voor Brinkman wees de rechtbank uitdrukkelijk op de achtergrond van het conflict. Brinkman, ex-generaal-majoor bij de landmacht, werd “welbewust aangesteld als buitenstaander, onbekend met de politiecultuur”. Het is volgens de rechtbank “alleszins aannemelijk” dat dit enkele feit voor de ondernemingsraad van het politiekorps aanleiding was zich extra kritisch op te stellen en Brinkman weinig of geen krediet te geven. De OR zegde het vertrouwen op “zonder dat is aangetoond dat het optreden van Brinkman daarvoor daadwerkelijk aanleiding heeft gegeven”, aldus het vonnis.

De rechtbank laat zich kritisch uit over het optreden van Peper begin juni vorig jaar, toen het conflict ontstond tussen enerzijds Brinkman en anderzijds Peper en het regionale college. De aanleiding was Pepers rapport 'Beleid in balans' waarin oplossingen werden aangegeven om het conflict met de OR te beëindigen. De rechtbank wijst erop, dat Peper de tekst van zijn (definitieve) rapport niet tevoren met Brinkman had besproken en dat deze voor de bijeenkomst op 2 juni van het college weinig tijd had om het rapport te lezen. Brinkman maakte op de bijeenkomst bezwaar tegen de voorstellen van Peper, onder meer om een 'tijdelijk lid' van de korpsleiding te benoemen en die te belasten met het overleg met de OR. Brinkman zei later dat hij op 30 mei in een gesprek met Peper juist had begrepen dat deze uitbreiding van de korpsleiding niet door zou gaan. Volgens de rechtbank is er op dit punt geen sprake van schending van gemaakte afspraken.

Op 5 juni kwam het regionale college opnieuw bijeen. Brinkman was niet uitgenodigd, zodat hij “zelf niet kenbaar kon maken tot welke conclusies zijn beraad over het rapport had geleid”. Het college sprak toen uit dat de korpschef met zijn optreden het vertrouwen ernstig had ondermijnd. Peper rapporteerde aan minister Dijkstal dat het vertrouwen onherstelbaar was beschadigd.

In haar uitspraak stelt de rechtbank vast dat Pepers “bewoordingen niet dezelfde lading hebben als het besluit dat daadwerkelijk was genomen”. De rechtbank concludeert dat Peper “om hem moverende redenen welbewust een situatie heeft laten ontstaan die overeenstemming definitief onmogelijk maakte, terwijl daar mogelijk nog een kleine kans op bestond”.

De “ernst van de confrontatie” die op 2 juni plaatshad, verklaart de rechtbank mede uit de “groeiende irritaties, onvrede over wijze van communicatie en onbegrip over elkaars bedoelingen” in de periode die daaraan vooraf ging. Nadat de vertrouwensbreuk was ontstaan, liet Peper volgens de rechtbank “op ongelukkige wijze” blijken twijfel te hebben over de psychische geschiktheid van Brinkman voor zijn functie. Anderzijds stelde Brinkman de integriteit van de korpsbeheerder ter discussie. Peper en Brinkman dragen een “gelijke verantwoordelijkheid” voor de negatieve ontwikkeling die een verder gezamenlijk functioneren aan de top van een politieorganisatie uitsluit, is het oordeel van de rechtbank. Korpsbeheerder Peper onthield zich gisteren van commentaar.

Intussen wil het CDA in de Tweede Kamer opheldering van minister Dijkstal. De christen-democraten menen dat de minister eerder had moeten ingrijpen en zo de nu door de rechter bepaalde afkoopsom van in totaal 2,5 miljoen gulden had kunnen voorkomen. Het CDA noemt het “opvallend” dat de rechter heeft bepaald dat de schuld voor het ontslag niet in overwegende mate bij Brinkman ligt.

De coalitiepartijen VVD en D66 reageren terughoudender. Het Tweede-Kamerlid Scheltema (D66) toonde zich tevreden dat de rechter akkoord is gegaan met het ontslag van de voormalige Rotterdamse korpschef. D66 vindt wel dat de Rotterdamse politieregio zelf een belangrijk deel van de 'afkoopsom' moet betalen. Haar collega Korthals (VVD) wilde niet op de zaak ingaan, omdat hoger beroep wellicht volgt. Wel zei hij in de toekomst “makkelijker te willen schuiven” met topambtenaren, om zo dure wachtgeldregelingen te voorkomen.

Het is evenwel nog niet duidelijk wie de kosten van de financiële regeling voor Brinkman moet betalen: Binnenlandse Zaken of het politiekorps. Burgemeester Peper zei vorig jaar dat volgens het ministerie het korps de rekening van Brinkmans ontslag moet betalen, inclusief een deel van de kosten die de ex-korpschef heeft gemaakt voor juridische bijstand. Het regionaal college vindt dat de kosten van de ontslagregeling door Binnenlandse Zaken moet worden betaald.

De Rotterdamse gemeenteraad nam vorig jaar juli een motie aan dat een 'gouden handdruk' voor Brinkman voor rekening van Binnenlandse Zaken moet komen. Het verschil tussen Dijkstals oorspronkelijke ontslagregeling (anderhalf jaar salaris, vervolgens een jaar negentig procent en daarna zeventig procent tot het pensioen) en die welke de rechtbank gisteren bepaalde (doorbetaling van vijf jaar salaris), is wolgens een woordvoerder van Peper ongeveer 200.000 gulden. Het is de vraag of de Rotterdamse raad dat bedrag als een 'gouden handdruk' zal beschouwen.

Nog niet duidelijk wie de kosten van Brinkmans ontslag zal moeten dragen