Vermeend versus de Hoge Raad

Het staatssecretariaat van Willem Vermeend (Financiën) wordt onder meer gekenmerkt door een machtsstrijd tussen hem en de Hoge Raad. Dit conflict nadert zijn ontknoping. Centraal staat de vraag hoe ver de rechter kan gaan bij het inperken van de wetgever en het zelfstandig verbeteren van wetsbepalingen. De machtsstrijd spitst zich toe rondom het verwijt dat de regering verscheidene keren met fiscale maatregelen de rechten van de mens van belastingbetalers heeft geschonden.

Zoals het bij een fikse ruzie past, praten beide partijen niet met elkaar. De Tweede Kamer is het verzamelpunt van de wederzijdse onvrede. Zo heeft het kabinet de Kamer gewaarschuwd dat de rechter in fiscale zaken het regeringsbeleid bijbuigt in een mate die 'raakt aan de inrichting van ons staatsbestel'. Zulke zware woorden schreeuwen om een reactie. Die kwam vorige maand toen het lid van de Hoge Raad mr. Van Brunschot een Kamercommissie toesprak. Hij zou graag zien dat de Tweede Kamer zich tot de staatssecretaris wendt om hem er toe over te halen zijn kritiek op de Raad voortaan “neer te leggen in processtukken, zodat wij er wat mee kunnen doen”. “Hij moet dat niet in algemene publicaties aan de orde stellen”, aldus van Brunschot die in één adem de kabinetsplannen voor belastingheffing in de 21ste eeuw karakteriseerde als 'toepassing van de wet van de fiscale jungle'.

Vermeend had enkele dagen eerder de Tweede Kamer de resultaten gestuurd van een onderzoek naar de wijze waarop de hoogste rechters in andere landen omspringen met de verdragen voor de rechten van de mens in fiscale zaken. Die onderzoeksgegevens zonder enige conclusie, toelichting of welke handreiking voor de interpretatie dan ook, waren kennelijk niet bedoeld voor de volksvertegenwoordigers die het ontoegankelijke rapport dan ook ongelezen in een lade hebben opgeborgen. Vermeend wilde via een omweg de Hoge Raad duidelijk maken dat de Nederlandse rechter een eenzame positie inneemt met het ongeldig verklaren en vervolgens min of meer herformuleren van belastingwetten op grond van schending van de rechten van de mens.

Niemand is er mee gebaat als de regering en de Hoge Raad hun conflict over de 'inrichting van ons staatsbestel' verder op de spits drijven met de volksvertegenwoordiging als postbode. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat de bemiddelende rol niet zozeer toevalt aan de Tweede Kamer, maar aan de discreet op de achtergrond opererende advocaat-generaal mr. Van den Berge. Deze onafhankelijke justitie-ambtenaar geldt als een zeer gezaghebbend adviseur van de Hoge Raad. Hij reikt de Raad in een nog niet gepubliceerd advies het juridisch kader aan waarmee onze hoogste rechter diens oorspronkelijke, weinig genuanceerde opsteling kan bijstellen.

Het draait allemaal om de vraag hoe ver het antidiscriminatieverbod in de verdragen voor de rechten van de mens doorwerkt in de belastingwetgeving. Mag de wetgever belastingbetalers ongelijk behandelen (discrimineren), bijvoorbeeld door degenen die ver van hun werk wonen een hoger bedrag voor het gebruik van de auto-van-de-zaak te laten betalen (autokostenforfait)? Of door alleen de houders van grote wagenparken uit te zonderen van een belastingverzwaring? Of door als onderdeel van het werkgelegenheidsbeleid een aftrekpost voor werkenden te verhogen terwijl niet alle werkenden daar evenveel van kunnen profiteren? In al die gevallen heeft een lagere rechter de regeringsmaatregelen wegens het discriminatieverbod onrechtmatig verklaard en zelf de wetsbepaling aangepast.

Om uiteenlopende redenen vindt de advocaat-generaal al die beslissingen onjuist. Zijns inziens komt de wetgever meer ruimte toe voor het verwezenlijken van beleidsdoelen (zoals milieubescherming en werkgelegenheidsgroei) via de belastingwetgeving, ook als daardoor kleine, eigenlijk niet gerechtvaardigde, verschillen tussen belastingbetalers ontstaan. Het discriminatieverbod wil hij zeer strikt handhaven bij elk onderscheid op basis van bijvoorbeeld ras of geloof, maar het zou wat minder strak gehanteerd moeten worden bij technische onderscheidingen zoals de afstand die iemand van zijn werk woont. Van den Berge signaleert dat de toch erg op discriminatie gespitste rechters in Amerika en Duitsland ook zo redeneren. Mocht er dan toch een ongelijkheid overblijven die juridisch en maatschappelijk niet aanvaardbaar is, dan zou de rechter in eerste instantie niet zelf de zaak moeten rechttrekken, maar eerst de wetgever de gelegenheid moeten geven met een betere regeling te komen. De wetgever is namelijk beter toegerust voor het uitvaardigen van regels dan de rechter. Die kan immers niet veel verder kijken dan de hem voorgelegde gevallen, zo redeneert Van den Berge. Ook voor deze mening vindt hij inspiratie bij bijvoorbeeld de Duitse rechter.

Tot slot signaleert de advocaat-generaal dat de overgangsmaatregelen die nodig zijn als een fiscale regeling door een modernere opzet wordt vervangen, bijna onvermijdelijk wat grof uitwerken. De rechter moet volgens Van den Berge in die situatie wat minder zwaar tillen aan eventueel optredende tijdelijke ongelijkheden. Zonder die ruimte zou het voor Vermeend heel lastig zijn de aangekondigde overstap naar een nieuw belastingstelsel te maken.

Al die visies van de advocaat-generaal wijken af van de standpunten die de Hoge Raad tot nu toe huldigt. Naar verwachting zal de Hoge Raad deze zomer beslissen of hij gebruik wil maken van de door Van den Berge gemaakte opening om de Nederlandse rechtspraak meer in lijn te brengen met de internationale opvattingen. Als de Raad de handreiking van zijn advocaat-generaal inderdaad oppakt, behoort de door het kabinet gesignaleerde strijd om de 'macht in het staatsbestel' tot het verleden.