Kans op compromis Kosovo minimaal

Een dialoog tussen het Servische gezag en de Albanezen moet er in Kosovo komen, zo vindt unaniem de internationale gemeenschap. De kans op zo'n dialoog is echter klein, en de kans op een compromis nog veel kleiner.

ROTTERDAM, 4 MAART. De internationale gemeenschap is hevig geschrokken van het bloedvergieten en de hoog opgelopen spanning in Kosovo: zeker dertig doden vielen er zaterdag, en dertig doden op een dag waren nog niet eerder geregistreerd sinds in 1989 de Albanezen hun autonomie kwijtraakten en onder een tot de tanden gewapend Servisch gezag werden geplaatst. De schrik is verwoord in oproepen aan Belgrado om een dialoog met de Albanezen te beginnen. De oproepen worden gedaan in de wetenschap dat zonder dialoog en compromis de tijdbom-Kosovo vroeg of laat zal ontploffen. Dan komt het tot een bloedbad waarbij dat in Bosnië verbleekt en tot spanningen en geweld in Macedonië en Albanië.

De schrik is begrijpelijk en de oproepen tot een dialoog liggen voor de hand. Maar het is niet waarschijnlijk dat het tot een werkelijke dialoog komt en het is nog minder waarschijnlijk dat die resulteert in een duurzaam compromis over het probleem-Kosovo.

Al jaren zet de internationale gemeenschap Belgrado onder druk om een dialoog met de Albanezen van Kosovo te openen. Joegoslavië (Servië en Montenegro) wordt - wegens 'Kosovo' - ook nog steeds gestraft met wat een outer wall of sanctions wordt genoemd, een restant van de sancties van de Bosnische oorlog. Zo wordt Joegoslavië nog steeds de toegang ontzegd tot internationale organisaties als het Internationale Monetaire Fonds en de VN.

Maar jarenlang is de Joegoslavische leider MiloviEÉc onvermurwbaar gebleven. Ten aanzien van Kosovo is hij nog onbuigzamer dan hij het inzake Bosnië ooit is geweest: Kosovo, zo herhaalt Belgrado uittentreure, is een binnenlands probleem waarmee het buitenland zich niet moet bemoeien. Kosovo is niet bespreekbaar en daarmee uit.

Voor die onbuigzaamheid zijn redenen. Kosovo is voor de Serviërs een uiterst emotioneel en daarom onbespreekbaar thema. In hun zelfbeeld speelt Kosovo een hoofdrol: het is hun Jeruzalem, hun Mekka: hier leden ze in 1389 hun historische nederlaag tegen de Turken, hier stond de wieg van de Servische beschaving, hier staan hun oudste kloosters, hier komen hun mythologische helden en hun historische keizers vandaan. Dat zelfbeeld mag met zijn ahistorische mythologisering van het verleden iewat absurde trekken vertonen, maar het is ook een politiek gegeven. Negentig procent van de inwoners van Kosovo is Albanees, maar voor de Serviërs zou Kosovo nog Servisch zijn als er geen enkele Serviër zou wonen.

Daarbij komt dat MiloviEÉc in zijn weigering het probleem te bespreken kan rekenen op de vrijwel volledige steun van alle Serviërs, inclusief het grootste deel van de oppositie. Wat Kosovo betreft heeft hij een 'democratisch' mandaat, hetgeen hem alleen maar sterkt in zijn weigering over een wijziging van de huidige status - of beter: non-status - van Kosovo te onderhandelen.

Zelfs àls het tot een dialoog met de Albanese meerderheid zou komen, is het zeer onwaarschijnlijk dat de partijen elkaar vinden in een compromis. Na de afschaffing van hun autonomie in 1989 hebben de Albanezen van Kosovo zich jarenlang van gewelddadige acties tegen de Servische onderdrukker onthouden, in de wetenschap dat geweld tot een enorme explosie kan leiden en in de hoop door dat gedrag ooit toch hun autonomie terug te krijgen. Hun geweldloosheid heeft echter al die jaren niets opgeleverd en dat heeft geleidelijk geleid tot een radicalisering van de Albanezen, vooral sinds 1996. In dat jaar begon het ondergrondse Bevrijdingsleger van Kosovo (UÇK) de traditie van geweldloosheid met aanslagen te doorbreken. Dat bood de Albanezen eindelijk het bevredigende gevoel dat na jaren van Servische terreur nu eindelijk de Servische minderheid in Kosovo leert hoe angst voelt. Het UÇK is inmiddels zeer populair onder de Kosovar Albanezen.

Belangrijker: de radicalisering is niet beperkt gebleven tot het thema geweld: ook in hun eisen zijn de Albanezen opgeschoven. Jarenlang hebben ze niet méér geëist dan het herstel van de in 1989 afgepakte provinciale autonomie. Voor de meeste Albanezen is een herstel van die autonomie nu een gepasseerd station: verleden tijd. De bevolking heeft zich inmiddels in een referendum massaal uitgesproken voor een 'Republiek Kosovo'. Voor sommigen mag Kosovo misschien nog de status van (deel)republiek binnen Joegoslavië krijgen, op gelijke voet en met dezelfde rechten als Servië zelf en Montenegro, de twee bestaande deelrepublieken. Maar velen vinden zelfs dat niet meer genoeg: zij eisen volledige onafhankelijkheid voor Kosovo of aansluiting bij Albanië.

Het is uitgesloten dat Kosovo zich zonder oorlog van Joegoslavië kan losmaken. Voor een onafhankelijk Kosovo of een hereniging met Albanië bestaat ook nergens in de wereld steun, zelfs niet in Albanië. Resteert de 'opwaardering' tot republiek binnen de Joegoslavische federatie. Voor de Serviërs is die eis nog onbespreekbaarder dan de vroegere eis - herstel van de provinciale autonomie - negen jaar lang is geweest. En die vroegere eis is voor veel Albanezen al 'te weinig' en geen optie meer. De internationale gemeenschap wil Belgrado tot een dialoog dwingen, maar juist nu is de impasse groter dan ooit.