'Wilhelmina-biografie zal einde zijn van vluchttheorie'

DEN HAAG, 3 MAART. Voorzitter Korthals Altes van de Eerste Kamer verwacht dat de Leidse historicus C. Fasseur in het tweede deel van zijn Wilhelmina-biografie “zal afrekenen” met de theorie dat het vertrek van de koningin naar Londen in de meidagen van 1940 een rol heeft gespeeld in de massale deportatie van Nederlandse joden.

Het verplaatsen van de regeringszetel naar Londen was voor de Duitsers niet van doorslaggevende betekenis, aldus Korthals Altes. Het kan dus ook niet rechtstreeks in verband worden gebracht met het hoge percentage Nederlandse joden dat is gedeporteerd. “En zelfs als het waar zou zijn, is het nog niet juist degenen die beslisten de schuld te geven, omdat de gevolgen niet voorzienbaar waren.”

Korthals Altes zei dat gisteren in de vergaderzaal van de Eerste Kamer bij de presentatie van het eerste deel van Fasseurs biografie Wilhelmina. De jonge koningin dat deze week is verschenen bij uitgeverij Balans. Kroonprins Willem-Alexander nam het eerste exemplaar van Fasseurs boek in ontvangst uit handen van de auteur.

Met zijn opmerkingen zette de Eerste-Kamervoorzitter zich af tegen de, door hem niet met name genoemde, historica N. van der Zee, die in haar vorig jaar gepubliceerde boek Om erger te voorkomen Wilhelmina ervan beschuldigt Nederland overhaast te zijn ontvlucht. Volgens Van der Zee effende zij daardoor de weg voor een civiel Duits bezettingsregime, dat dankzij de schijn van legitimiteit harder kon optreden tegen de Nederlandse joden. Het boek van Van der Zee werd door vakhistorici, onder wie Fasseur, gekritiseerd als ongenuanceerd en tendentieus.

Korthals Altes prees het “tijdige” vertrek van Wilhelmina naar Londen in mei 1940. De koningin had daardoor een “ijkpunt” kunnen blijven voor de bevolking. Over de vergelijking met Frankrijk, waar relatief minder joden zijn weggevoerd, merkte Korthals Altes op dat “daar tegenover staat dat de Fransen in het bezette deel van hun land veel gedemoraliseerder en politiek gedesoriënteerder waren” dan de Nederlanders, mede door het ontbreken van een ondubbelzinnige nationale figuur als Wilhelmina.

In Wilhelmina geeft de Leidse hoogleraar geschiedenis Fasseur, die eerder publiceerde over het Indische koloniale verleden, een levendig portret van de jonge koningin, van haar geboorte in 1880 tot het einde van de Eerste Wereldoorlog en de mislukte 'staatsgreep' van de socialist Troelstra.

De biograaf schetst een beeld van een jonge vrouw - Wilhelmina was achttien bij haar troonsbestijging in 1898 - die haar plaats moest veroveren in een wereld van oudere mannen. De socialist en anti-monarchist P.J. Troelstra noemde ze in een brief aan haar moeder “een genie maar een vermoeiend genie, van een soort dat ik nog nooit ontmoet heb”.

Fasseur kon als eerste putten uit het archief van het Koninklijk Huis. Hij kreeg inzage in de correspondentie tussen Wilhelmina en haar moeder, maar ook in de nooit gepubliceerde persoonlijke herinneringen van de koningin. Zijn boek levert geen drastisch nieuw beeld op van koningin Wilhelmina op, maar wel veel anekdotes en vaak schampere typeringen van politici en andere prominenten met wie Wilhelmina te maken kreeg. Zo noemde ze minister van Defensie W. Cohen Stuart in 1906 in een brief aan haar moeder een 'ploertig uilskuiken', omdat het hem niet was gelukt een wet voor de reorganisatie van het Korps Mariniers door de Tweede Kamer te loodsen.

Fasseur werkte vanaf 1991 aan de biografie na het onverwachte overlijden van de historicus A.F. Manning, die aanvankelijk de opdracht had gekregen. Fasseur heeft het boek aan hem opgedragen. Deel twee verschijnt over enkele jaren.