Vijf jaar salaris voor ontslagen korpschef

DEN HAAG, 3 MAART. De voormalige korpschef van de politie Rotterdam-Rijnmond, J.W. Brinkman, is terecht ontslagen, maar hij heeft wel recht op een ruime afvloeiingsregeling van vijf jaar salaris. Dat bepaalde de Haagse rechtbank vanochtend in het beroep dat Brinkman had ingesteld tegen zijn 'eervol ontslag' per 1 januari 1998.

Volgens de rechtbank was het ontslag terecht wegens 'fundamenteel verstoorde verhoudingen' tussen Brinkman, korpsbeheerder en burgemeester van Rotterdam A. Peper en het regionaal college van burgemeesters van de Rijnmondgemeenten

Gezien de 'bijzondere omstandigheden' die tot het ontslag leidden, oordeelde de rechtbank dat de financiële regeling die het ministerie van Binnenlandse Zaken had geboden, te mager is. In plaats van 1,5 jaar salaris moet de ex-korpschef vijf jaar salaris doorbetaald krijgen.

Volgens Brinkmans raadsman mr. C. van Leeuwen komt dat neer op een bedrag van tussen de 2 en 2,5 miljoen gulden. Hij noemde de regeling 'ruimhartig'.

Daarentegen wees de rechtbank Brinkmans eis van 400.000 gulden als vergoeding voor immateriële schade af. Volgens de rechtbank heeft het ontslagbesluit niet geleid tot aantasting van de eer en goede naam van Brinkman.

De rechtbank wijst in haar uitspraak op het 'ernstige meningsverschil' tussen Brinkman en de bestuurlijke top van de politieregio over de aanpak van het conflict tussen de korpschef en de ondernemingsraad van het politiekorps die in april vorig jaar het vertrek van Brinkman eiste. Voorts was er sprake van een 'groeiende animositeit' tussen de korpschef en korpsbeheerder Peper. Dat blijkt volgens de rechtbank uit de wijze waarop beiden zich “over en weer in de media uitlieten, voor welke negatieve ontwikkeling beiden evenveel blaam treft.”

Herstel van de vertrouwensbreuk en terugkeer van Brinkman op zijn post, zoals deze steeds heeft geëist, achtte de rechtbank 'uitgesloten'. De rechtbank trekt die conclusie mede op basis van het rapport van SER-voorzitter mr. K.G. de Vries, die na een onderzoek in opdracht van minister Dijkstal (Binnenlandse zaken) afgelopen najaar tot dezelfde conclusie kwam. Gegeven dit feit mocht Dijkstal tot ontslag overgaan, aldus de rechtbank.