Uit vissen op de Wolga

“Laat me je jas eens zien”, zegt Joeri en ik toon hem mijn jas uit Nederland: soepel suède aan de buitenkant en kunstbont aan de binnenkant. Ik ben er heel tevreden mee, al was het alleen al om dat kunstbont. “Dat noemen we hier rybnyj mech - vissenbont.” Mijn jas wordt ontoereikend bevonden voor de tocht op het ijs van de Wolga bij 20 graden vorst en een stevige oostenwind.

Met trui en vest eronder voldeed mijn jas best bij mijn leven in Nizjni Novgorod. Twee weken liep ik elke dag drie kwartier heen en terug door het oude centrum van de stad van en naar mijn werk. Maar op het ijs zal het anders zijn. Ik word gehuld in een dikke bontjas, op mijn hoofd een puntmuts van bont en aan mijn voeten valanki, viltlaarzen van geperst en gestoomd geitenhaar.

We zijn in het dorp Bezvodnoje, 40 kilometer ten zuiden van Nizjni Novgorod. Daar is de datsja van de familie bij wie ik verblijf. Hun hartstochtelijke liefhebberij is vissen, zomer en winter. Zoon Joeri, archeoloog en leraar geschiedenis, heeft me uitgenodigd mee te gaan. Hij is al een dag eerder vertrokken om de twee stenen kachels aan te steken en het huis warm te stoken. Hij is nu al twee uur met twee kameraden op het ijs. Samen met zijn vader Volodja, gepensioneerd atoomingenieur, zoeken we hen op het ijs op.

De Wolga is hier honderden meters breed en er zijn nogal wat eilanden. Het water stroomt alleen in enkele geulen snel, elders staat het vrijwel stil.

Onderweg draait Volodja zich telkens om en bekijkt mijn gezicht nauwkeurig om vast te stellen of het niet te koud is. De vissers komen achter een eiland vandaan, ze trekken een slee met zich mee. In een plastic zak hebben ze zeven grote vissen bij zich, waaronder een sterlet, een kleine soort steur. Er is ook een vis bij met een baard, waarschijnlijk een meerval.

Volodja en ik lopen met hen mee, tot ze naar mijn indruk zomaar ergens stilstaan. Daar boren ze met een grote boor een gat in het ijs. Het is 80 cm dik. Door het gat wordt met een haak het einde van een net omhooggehaald. Vervolgens lopen ze 35 meter verder. Nu zie ik dat een klein takje, nog geen 15 cm lang, in de sneeuw de plaats markeert. De handelingen herhalen zich. Het net wordt vastgemaakt aan een lang touw, waarna ze het hele net in het eerste gat naar boven halen. Onder het ijs loopt nu het touw, waardoor het net straks weer op zijn plaats getrokken kan worden.

Het net stond dus, 35 meter lang en een meter diep als een gordijn een week lang onder het ijs. De vissen blijven er met hun kieuwen in haken. Het is een eeuwen-, zo niet duizenden jaren oude wijze van vissen. En Joeri kan het weten. Hij schreef een scriptie over vismethoden in prehistorische tijden. De vangst valt tegen: een tiental visjes, 10 à 15 centimeter lang, baarsachtig. Maar ze gaan mee naar huis.

Bij het gat kwam een koolmees zitten, zo dichtbij, dat ik hem haast kon aanraken. Ik had hem daarnet al horen zingen in een wilgenbosje, in de kou, maar in de zon. Hij heet hier zienzievjer. Als je het hardop zegt, hoor je de koolmees.

Na een tijdje hield Volodja het voor gezien. Ik ging met hem mee naar huis. De drie vissers gingen door tot in de schemering. Ze haalden nog een knaap van een vis binnen, die zelfs een van hen in zijn hand beet. Dat levert meestal een fikse ontsteking op.

Koud heb ik het niet gehad. De volgende dagen aten we vis, op allerlei manieren klaargemaakt. Toen ik een week later naar huis terugging, bracht Joeri me een pakje in krantenpapier gewikkeld: de vissen die ik had zien ophalen zaten erin, door Joeri gekookt, gezouten en gedroogd, met ingewanden en al. “Te eten met veel bier!”