Onafhankelijke rechter is geen doel

De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht wordt aangetast door de voorstellen van de commissie-Leemhuis ter herziening van de rechterlijke organisatie, schreef P. Ingelse vorige maand op de opiniepagina. A.W. Koers meent daarentegen dat de nieuwe voorstellen nu juist een structuur bieden voor een effectieve aanpak van de problemen waarmee de rechterlijke macht kampt.

Goed kunnen afwegen en motiveren zijn onmisbare eigenschappen van een rechter. Ongetwijfeld zal Ingelse die eigenschappen hebben in zijn werk als raadsheer, maar in zijn artikel 'Onafhankelijkheid van rechters moet buiten kijf staan' (NRC Handelsblad, 7 februari) komen ze niet echt naar voren.

In het rapport van de commissie-Leemhuis worden drie soorten eisen genoemd waaraan de rechterlijke organisatie in de toekomst moet blijven voldoen: onafhankelijkheid, kwaliteit en doelmatigheid. Ingelse zegt alleen iets over het eerste aspect, terwijl ik zou denken dat afwegen betekent dat alle relevante aspecten worden betrokken in de oordeelsvorming. En als er dan toch één aspect centraal wordt gezet, is het dan niet de (maatschappelijke) kwaliteit van rechtspraak waar het uiteindelijk allemaal om draait? Het kan toch immers niet zo zijn dat rechterlijke onafhankelijkheid het doel is van rechtspraak. Het betoog van Ingelse lijkt doel (maatschappelijke kwaliteit) en middel (rechterlijke onafhankelijkheid) door elkaar te halen.

Ik hoor Ingelse ook niet over allerlei problemen: overbelasting van mensen, te lange doorlooptijden, gebrekkige afstemming van uitspraken, ongemak in de samenwerking tussen rechters en ondersteuning, onvermogen te beslissen voor de rechtspraak als geheel, achterstand in voorzieningen en technische uitrusting, ontbreken van een adequaat personeelsbeleid, onvoldoende opleidingsmogelijkheden, etc. Al deze problemen zijn al jarenlang bekend. Naar mijn waarneming is het vooral de persoonlijke inzet van mensen die de rechtspraak (nog steeds) de kwaliteit geeft die zij heeft, maar de vraag is hoe lang die kruik nog te water gaat voordat zij barst. Is het dus geen tijd om echt iets te gaan doen? En is het dan niet erg eenzijdig om alles te bekijken en te beoordelen door die ene bril: wat het betekent voor de rechterlijke onafhankelijkheid.

Natuurlijk geven de voorstellen van de commissie-Leemhuis geen garantie dat alle problemen worden opgelost. Eén ding doen ze in elk geval wèl: eindelijk wordt duidelijk wie de problemen moet aanpakken en hoe daarbij de rollen zijn verdeeld. Kort door de bocht: op landelijk niveau wordt dat de Raad voor de Rechtspraak en op lokaal niveau worden dat de nieuwe besturen van de gerechten. Beleid en beheer komen, zowel landelijk als lokaal, in één hand en dat vergroot de kans dat er daadwerkelijk wat gaat gebeuren. Ingelse wekt de indruk dat ook nu al de bestuurlijke verantwoordelijkheden en de rollen helder zijn verdeeld tussen individuele rechters en voltallige collegevergaderingen. Dit is echter geenszins het geval. Zo functioneren er in alle gerechten dagelijkse besturen die zich intensief - zonder wettelijke basis overigens - bezig houden met zaken die Ingelse tot het domein van de rechterlijke onafhankelijkheid rekent.

Essentieel in de voorstellen van de commissie-Leemhuis is dat de Raad voor de Rechtspraak deel uitmaakt van de rechterlijke organisatie. En dus geen onderdeel is van de uitvoerende macht of het 'overheidsbestuur'. Vandaar dat rechters de meerderheid vormen in de Raad, dat politieke benoemingen worden afgewezen en dat geen vertegenwoordigers van de minister van Justitie in de Raad zitting hebben. Vandaar ook dat de controlerende bevoegdheden van de minister van Justitie richting Raad expliciet zijn beperkt tot de beheersmatige aangelegenheden die op dit moment onder de verantwoordelijkheid van de minister vallen. En als het gaat om rechterlijk beleid: daarover heeft de minister thans niets te zeggen en dat zal ook in de toekomst zo zijn, Raad of niet. Het is dus eenzijdig de Raad aan te merken als een vorm van 'centralisatie'. Die kwalificatie is nog te verdedigen als het gaat om beleidsinhoudelijke bevoegdheden (want die liggen nu bij de rechterlijke macht zelf, zij het volstrekt diffuus), maar zij is onjuist als het gaat om beheer. Op dat gebied worden de bevoegdheden van de minister juist gedecentraliseerd naar de Raad en de besturen van de gerechten.

In het waarborgen voor rechterlijke onafhankelijkheid gaan de voorstellen van de commissie-Leemhuis aanzienlijk verder dan het enige punt dat Ingelse noemt: dat de Raad en de besturen van de gerechten niets mogen zeggen over de inhoud van een rechterlijke beslissing. Dat is niet meer dan het (volstrekt onomstreden) begin want daarnaast zijn er door de commissie nog drie andere waarborgen ingebouwd.

De Raad mag zich uitsluitend richten tot de besturen van de gerechten. Het rapport zegt expliciet (pag. 29) dat de Raad zich niet rechtstreeks tot individuele rechters kan wenden. En hen dus ook niet zelf ter verantwoording kan roepen.

De Raad mag alleen richtlijnen vaststellen voor aangelegenheden die de gerechten overstijgen (pag. 30). De taak van de Raad is het 'bevorderen' van rechterlijke samenwerking (pag. 30) - dus niet het 'beslissen' daarover.

Tenslotte, een rechter die zich niet kan verenigen met een richtlijn van de Raad kan die richtlijn ter toetsing voorleggen aan de Hoge Raad (pag. 40). Met als mogelijk effect dat de richtlijn onverbindend wordt verklaard.

Ik beweer niet dat de voorstellen van de commissie Leemhuis het laatste woord zijn. Integendeel, er is veel dat nader moet worden uitgewerkt, maar de voorstellen zijn het waard beoordeeld te worden als één geheel en in onderlinge samenhang. Er één aspect uit lichten - zoals rechterlijke onafhankelijkheid - doet geen recht aan die samenhang en aan het zoeken van de commissie naar evenwicht tussen alle invalshoeken, verlangens, standpunten en belangen.

Dat zoeken naar evenwicht mag ook van anderen worden verwacht: er staat heel wat op het spel.