Nieuwe flamenco houdt zijn roffelende ritmes

De klassieke flamenco heeft zich vermengd met blues, jazz en Afrikaanse dansen en beleeft in die veranderde vorm een come-back. Vanaf morgen roffelen de met spijkers beslagen laarzen van de nieuwe golf ook in de Nederlandse theaters.

Flamenco!!! De La Casa, Duo en La Calle, uitgevoerd door de groep Flamenco XXI Danza onder regie van Ricardo Franco. Te zien in Den Haag, Lucent Dans Theater 4 en 5/3; Amsterdam Carré Theater 7 en 8/3 en Breda, Chassé Theater 10 en 11/3.

In La Calle sluiten de verschillende dans- en muziekvormen probleemloos op elkaar aan. Na het explosieve, klassieke begin van La Calle vult de oefenruimte in de voormalige stadsslachterij van Madrid zich met meer ingetogen pianoklanken voor een korte danssolo van Beatriz Martín. Het derde deel pakt weer uit met een opzwepend samba-ritme dat wordt ingezet door de deels Braziliaanse percussie-groep, waar de ritmekasten uit de flamenco broederlijk staan opgesteld naast bongo's.

Zanger Mateo Soleá (47 jaar) haalt een hand door zijn lange, donkere haar, pakt een rieten stoeltje (onmisbaar instrument van de flamenco-zang) en heft de rauwe openingskreet aan waarmee zijn lied begint. Samen met medezanger Antonio de la Malena is Soleá afkomstig uit Jerez de la Frontera. “Wij zijn als zigeuners geschoold in de klassieke flamencozang”, verklaart Solea. Zingen voor een dansgroep is weer eens wat anders, meent het duo. “Flamenco is universeel, je kunt het makkelijk in andere ritmes voegen, op deze manier blijft de zaak in beweging”, vindt collega Malena.

Hoewel Flamenco!!! ook in eigen land op juichende kritieken mocht rekenen, valt in het puristische deel van de flamencowereld bij tijd en wijle enig gemor te beluisteren. De nieuwe mengvormen worden daar met gepast wantrouwen of met regelrecht dédain afgedaan als flamenco-pop. Hoewel deze kunstvorm zelf ooit ontstond als een mengsel van onder meer Indiase zigeunermuziek en berber-ritmes, wordt gevreesd voor een vervuiling van de 'pure' flamenco. “Ik begrijp die discussie tussen puur en niet puur niet”, vindt soliste Beatriz Martín. “Flamenco is goed of niet goed. Het is zeer aantrekkelijk om de dans ook weer eens op een andere manier te verwerken, maar de basis blijft hetzelfde. En daarnaast: dit bevat ook een paar heel klassieke onderdelen.”

Ricardo Franco, die zelf in het duet Duo de contemporaine dans neerzet tegenover de door Beatriz Martín gedanste flamenco, is niet verbaasd over de kritiek die af en toe opborrelt. “Wat ik doe is natuurlijk weinig orthodox. Bij iets nieuws heb je nu eenmaal altijd kritiek, dat hoort erbij. Maar we respecteren de esthetiek van de flamenco, de essentie blijft bewaard.”

Dat laatste betreft in ieder geval de vitale ritmes waaraan de flamenco-dans zijn dramatische werking ontleent. Zijn de vloeren in de Nederlandse theaters in staat om het bespijkerde roffelgeweld van de laarzen te verdragen? Uit voorzorg laat de groep extra vloerdelen aanbrengen van een centimeter dik, zo bevestigt Franco desgevraagd. De vrees geldt evenwel niet zozeer de bestaande ondergrond, alswel de akoestiek. “Het geluid mag niet te hol klinken”, aldus de regisseur, “De energie van flamenco komt van binnenuit, vanuit jezelf, vanuit de aarde. Het ritme is essentieel. Dat moet je kunnen horen.”