Gebalsemde beroepstrots

Het begrip 'maakbare samenleving' is de afgelopen tien jaar geruisloos verdwenen uit het politieke idioom van de intellectueel vermoeide sociaal-democratie. Joop den Uyl was de laatste die er nog in geloofde en na diens dood, alweer ruim tien jaar geleden, stokte het debat over de maakbaarheid van de samenleving in de PvdA en leek daar tenslotte volkomen te zijn opgedroogd.

Maar dat moet gezichtsbedrog zijn geweest. Het is terug van weggeweest, het is nog springlevend en het heeft in de cultuursocioloog professor Adriaan van der Staay, de scheidende directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, een nieuwe, bevlogen pleitbezorger gevonden. Van der Staay heeft het geloof in de maakbare samenleving behouden en hij getuigt daarvan in een monter vraaggesprek met de Volkskrant van woensdag 25 februari. De grote problemen van deze tijd, zoals het verstoorde evenwicht in natuur en milieu, de massaliteit van de misdaad en de goeddeels mislukte integratie van de allochtonen, dwingen de overheid volgens de vertrekkende directeur van het SCP een andere houding tegenover de samenleving aan te nemen. De overheid moet weer een menselijk gezicht krijgen (“Het lijkt bijna alsof mensen er niet toe doen, alsof de persoonlijke verantwoordelijkheid er niet toe doet”). En ze moet weer gebruik maken van de inzichten en de inzet van de traditionele sleutelfiguren in de samenleving, zoals politieagenten, onderwijzers en (maatschappelijk betrokken) ambtenaren.

Van der Staays veiliger samenleving - het centrale thema van zijn afscheidsinterview - is een samenleving die niet bijeengehouden wordt door bureaucratische mechanismen, maar door de integrerende kracht van de menselijke verantwoordelijkheid. Van der Staay bedient zich niet van de simpele leuzen waarmee de volksvertegenwoordigers van alle richtingen de afgelopen dagen de hort op zijn gegaan. Vrijwel alle partijen hebben “meer blauw op straat” beloofd en daarmee de suggestie gewekt dat Nederland daarmee veiliger wordt. Volgens Van der Staay is daarmee het pleit nog lang niet gewonnen. Hij heeft lang genoeg met overheidsstatistieken gewerkt om te weten dat met getallen alles kan worden bewezen. Veel belangrijker is de menselijke factor en die zal opnieuw - en hoger dan de afgelopen jaren is gebeurd - moeten worden gewaardeerd.

Van der Staays grote voorbeeld is de burgemeester van New York Rudolph Giuliani, die een mentale wedergeboorte van zijn politiekorps bewerkstelligde door al zijn agenten van hoog tot laag ervan te doordringen dat elke overtreding, ook de kleinste, moest worden bestraft en dat de veiligheid op straat van hen persoonlijk afhing. Giuliani logenstrafte de scepsis van de hogere beleidsniveaus door hoogst persoonlijk in de kantines van de politiebureaus een nieuwe geestdrift te ontketenen. De agenten aten uit zijn hand, omdat hij de moeite had genomen naar de laagste niveaus van het korps af te dalen om daar de uitgangspunten van zijn zero tolerance-beleid uiteen te zetten. Zero tolerance was een tweesnijdend zwaard dat het elementaire, maar grondig verwaarloosde beginsel van wetshandhaving in ere herstelde en tegelijkertijd de gewone politieman het gevoel hergaf dat hij door zijn hoogste baas werd gewaardeerd en zijn werk weer tot iets leidde. De agent had zijn gezag teruggekregen, maar ook zijn beroepstrots. 'Zero tolerance' had nog andere heilzame neveneffecten. Door niets meer door de vingers te zien, kregen regels weer dwingende werking en de burgers kregen weer het gevoel dat de politie de straat onder controle had. De stad die lang het praktisch onbestreden domein van de misdaad was geweest, was weer de stad van de mensen geworden. Aardige bijkomstigheid was dat de criminaliteit intussen in reële cijfers was teruggedrongen.

Door de preoccupatie met abstracte reorganisaties en managementsprocessen heeft de Nederlandse overheid de laatste jaren, volgens Van der Staay, de menselijke factor over het hoofd gezien. De sleutel van de nieuwe maakbaarheid ligt op het niveau van de agent of de onderwijzer, zegt hij in het interview met de Volkskrant. De maakbaarheid ziet hij vooral terugkomen door goede voorbeelden uit de praktijk. “Als een zwarte school het goed doet, moet je die school een kroon opzetten en een medaille geven. En andere moeten hun voorbeeld volgen.” Langs die lijnen kan de overheid wonderen tot stand brengen. Het gaat er niet om een nieuw soort lintjesregen te bedenken, maar om de slapende verantwoordelijkheid en kwaliteit van honderdduizenden mensen op cruciale posten in de samenleving te mobiliseren. Premier Kok zou eens een paar gedachten moeten besteden aan het beter benutten van dat oude begrip volkskracht - dat hem van oudsher toch heel bekend moet zijn.

Van der Staay is een optimist, die gelooft dat de zachte krachten zullen overwinnen. De criminaliteit die onder ons gekomen is, zegt hij met een verwijzing naar New York, is geen noodlot. Daarom gelooft hij ook dat de overlast van 'hangjongeren' waaraan sommige steden lijden (en die vooral ouderen een angst voor de straat bezorgt) geen onoplosbaar probleem is. Het moet toch mogelijk zijn om die jongeren van de straat te houden, zegt hij, al zegt hij er niet bij hoe. Het is jammer dat hij het op dat punt daarbij laat. Lang geleden hadden de oude socialisten al een probate oplossing voor dat probleem die helaas in onbruik is geraakt. De grote volksopvoeder, vakbondsman en schrijver Henri Polak wist niet alleen hoe hij de jeugd van de straat moest houden, hij praktiseerde het ook. Hij greep elk rondhangend etterbakkie bij de kraag, sleepte hem naar de bibliotheek van de Metaalbewerkersbond in de Franselaan in Amsterdam-Oost (later Henri Polaklaan) en bekeerde hem onder zachte dwang tot de wereldliteratuur. Onder het motto: een lezend mens wordt niet geboren, maar gemaakt.