Flitsende zang in de Mariavespers

Concert: Cantus Cölln, Concerto Palatino o.l.v. Konrad Junghänel. Monteverdi Mariavespers. Solisten: Elisabeth Scholl, Maria Cristina Kiehr, Pascal Bertin e.a. Gehoord: 2/3, Concertgebouw Amsterdam.

Het verhaal gaat dat Monteverdi, om de post van maestro di cappella van de Venetiaanse San Marco te verwerven, een toelatingsexamen moest afleggen. Tijd om iets nieuws te componeren had hij niet, reden waarom hij teruggreep op zijn Vespro della beata vergine: de afwisselende Mariavespers voor solisten, koor en instrumentaal ensemble die maandag in het Concertgebouw werden uitgevoerd door Cantus Cölln en Concerto Palatino.

Monteverdi's Vespro zijn muziekhistorisch interessant omdat deze de vroegst bekende Vesper-druk vormen waarin de behandeling van de instrumenten op een meer wereldlijke, zeg maar frivool concerterende wijze geschiedt. En omdat Monteverdi de mogelijkheid sommige delen zonder instrumentale begeleiding uit te voeren nadrukkelijk openliet, zal er tot in lengte van dagen discussie zijn over hoe de ideale Mariavespers moeten klinken.

Een ensemble dat dit werk uitvoert moet noodgedwongen allerlei keuzen maken. Die van de samenstelling en grootte der bezetting is er daar slechts één van. Het is aannemelijk dat bij de uitvoering van de Mariavespers in de San Marco in augustus 1613 in ieder geval de zestien instrumentalisten die in vaste dienst waren van de kerk hebben meegespeeld. Maar waarschijnlijk was het orkest voor die gelegenheid groter.

Cantus Cölln en Concerto Palatino konden evenwel met minder musici toe. Strijkers, blazers en basso continuo van lage strijkers, portatief en luit telden samen dertien musici. Onbegeleide passages kwamen nagenoeg niet voor. En dat viel te betreuren. Want de solisten werden in de sobere concerti, met die virtuoze guirlandes van noten, door een stroeve continuo-begeleiding meer dan eens belemmerd in hun vrije vlucht.

Eigenlijk was het maar een moeizame aangelegenheid, deze uitvoering van de Mariavespers. Konrad Junghänel lijkt zijn beste tijd als luitist te hebben gehad, en als dirigerende maestro di cappella is hij onhelder en weinig accuraat. Bij plotselinge overgangen en zelfs in menig kadensje dreigt hij uit de bocht te vliegen. Ook de balans liet nogal eens te wensen over, iets wat in deze broze, tweekorige muziek zeer nauw luistert.

Het in kleur weliswaar mooi mengende ensemble van solisten, onder wie Elisabeth Scholl, Maria Cristina Kiehr, Pascal Bertin en Gerd Türk, was vaak onevenwichtig. Symmetrie in klank was in de tweekorige gedeelten ver te zoeken. Counter Bertin moest het afleggen tegen alt Elisabeth Popien, en af en toe doorspiesde een luttele toon van het orgel een broos vocaal akkoord. In alle variatie van stukken, verlangde ik steeds weer naar die, als stiletto's door het luchtruim flitsende stemmen van de sopranen Scholl en Kiehr met de prachtige blazers van Concerto Palatino als hun onvervreemdbare echo's. Neen, voor dit examen als maestro di cappella is Junghänel gezakt.