De geur van buitenlanders

Als Gerrit Komrij in gesprek met Martin Simek gevraagd wordt naar de slechte eigenschappen van Nederlanders hoor ik hem zeggen: “De geuren die ze verspreiden.” Komrij treedt daarmee in een lange traditie van geurgevoeligen. Zo noemde de Duitse socioloog Georg Simmel (1858-1918) het probleem van de sociale ongelijkheid “nicht nur eine ethische, sondern auch eine Nasenfrage”.

Volgens de Simmel-kenner in mijn huis baseerde hij zich op Nietzsche, die vaak zijn neus gebruikte als mensen hem niet bevielen: “Sie riechen nicht gut.”

De Engelse schrijver George Orwell wist eveneens dat sociale verschillen gepaard gaan met geurverschillen. In The road to Wigan Pier, dat gaat over de moeizame verhouding tussen intellectuelen en arbeiders, windt hij er geen doekjes om: “De lagere klasse stinkt.”

Ook buitenlanders ruiken anders. Tien, vijftien jaar geleden bestond mijn vrouwenklas in de basiseducatie voor het merendeel uit Marokkaanse vrouwen, aangevuld met een enkele Turkse of verdwaalde Spaanse. Hun gezamelijke geur was niet lekker maar vertrouwd: de klas rook eensgezind naar zweet. Wie na de les het lokaal betrad, vroeg zich af hoe iemand het daar de hele ochtend had kunnen uithouden. Het enige wat hielp was het raam openzetten.

Soms meldde een Aziatische vrouw zich aan, die was dan door een Nederlander van vakantie mee teruggenomen. Onder hen een Thaise met een spraakgebrek en een muur van knoflook om zich heen. Sommige vrijwilligers weigerden haar les te geven. Wie haar dichter dan een meter naderde kreeg braakneigingen. Ook van de Marokkaanse klasgenotes waagde zich niemand in haar buurt, maar dat zouden ze zonder geurlinie ook niet gedaan hebben.

Tegenwoordig is de samenstelling van de klas meer divers: de vrouwen uit Marokko moeten de klas delen met Iraanse, Afghaanse, Turkse, Filipijnse, Braziliaanse, Chileense, Ghanese, Angolese, Zaïrese, Iraakse, Koerdische, Bosnische en Poolse vrouwen en in de meerderheid zijn ze ook al lang niet meer. Maar de mengeling van evenzoveel verschillende geuren verheugt niet iedereen in gelijke mate.

De Afghaanse Farida die naar een hogere klas is doorgestroomd, komt bij mij haar beklag doen over een klasgenote. Die heeft de eigenaardige gewoonte om bij binnenkomst in het lokaal haar schoenen uit te doen. Farida's hand gaat demonstratief naar haar neus. “Dat mag niet”, zegt ze, “her feet smell terrible, ik voele mij niet goed.” Ik moet er om lachen. “Ga de volgende les ergens anders zitten”, zeg ik.

Tijdens mijn eigen les zit de Zuid-Amerikaanse Marita druk te wuiven met haar huiswerkmap. Ze heeft het warm, beweert ze. Maar in de pauze neemt ze me terzijde en fluistert: “Ikke nie warm hoor. Maar ikke nie kan tegen die stank. Van Nazifa. Zij stinke uite die mond! Net asse die hond die is drie maanden dood, weetjewel. Man! Ik worre nie goed!”

    • Elizabeth Termeer