Tijdbom Kosovo op punt van ontploffen

De door een grote meerderheid van Albanezen bewoonde Servische provincie Kosovo heeft het bloedigste weekend achter de rug sinds de Albanezen in 1989 hun autonomie kwijtraakten. De vrees voor een explosie van de tijdbom-Kosovo is nog nooit zo groot geweest.

ROTTERDAM, 2 MAART. Kosovo balanceert op de rand van een explosie - een explosie die al jaren in de lucht hangt en al jaren wordt voorspeld: de onderdrukking van een grote meerderheid van de bevolking is lang vol te houden, maar er komt bij het uitblijven van een compromis onherroepelijk een moment waarop de vlam in de pan slaat. Vijfduizend Albanezen in Kosovo hebben vandaag betoogd tegen het Servische gezag. De tijdbom-Kosovo kan elk moment afgaan.

De tijdbom is negen jaar geleden op scherp gezet, toen de Servische leider Slobodan MiloviEÉc Kosovo, de door een grote Albanese meerderheid (negentig procent van de bevolking van rond twee miljoen zielen) bewoonde provincie, haar in de Joegoslavische en de Servische grondwet verankerde autonomie afpakte en een zuiver Servisch bestuur in het leven riep. Die daad paste in zijn streven zich door middel van een nationalistische campagne te verzekeren van de loyaliteit van alle Serviërs in het oude Joegoslavië. Dat lukte wonderwel - zo wonderwel dat de actie tegen de Albanezen van Kosovo de Slovenen en de Kroaten in de gordijnen joeg. De machtsgreep in Kosovo werd het begin van een proces dat twee jaar later uitmondde in hun vertrek uit de Joegoslavische federatie en in drie oorlogen op rij, in Slovenië, in Kroatië en uiteindelijk ook in Bosnië

De Albanezen van Kosovo reageerden op de onderdrukking door zich terug te trekken uit de 'officiële', door de Serviërs gedomineerde (en bemande) samenleving en zich te hergroeperen in een eigen, ondergrondse, parallelle samenleving. Ze hadden en hebben hun eigen lager, middelbaar en hoger onderwijs, hun eigen gezondheidszorg, hun eigen belastingdienst, hun eigen sociale zorg, hun eigen republiek, president, parlement en regering en hun eigen politieke partijen. Raakvlakken tussen die twee samenlevingen zijn er nauwelijks: de Albanese meerderheid en de Servische minderheid leven naast - of liever: onder - maar niet met elkaar.

De afgelopen jaren heeft zich in de Albanese samenleving echter een geleidelijke radicalisering afgetekend. De belangrijkste reden daarvan was het uitblijven van elke dialoog tussen de twee kampen. De jarenlange impasse heeft het geduld van de Albanezen dag in dag uit uitgehold. Even leek het er in 1996 op dat de impasse kon worden doorbroken, toen MiloviEÉc en de leider van het geweldloze verzet, Ibrahim Rugova, president van de ondergronds uitgeroepen Republiek Kosovo en leider van de Democratische Liga van Kosovo, het eens werden over een herintegratie van de Albanezen in het onderwijs. Maar dat akkoord bestaat nog altijd alleen maar op papier, omdat MiloviEÉc het nooit heeft willen uitvoeren.

Inmiddels is er onder de Albanezen niemand meer die bereid is genoegen te nemen met een simpel herstel van de in 1989 afgepakte autonomie - zoals de internationale gemeenschap, bang voor het wijzigen van grenzen, nog steeds het liefst wil. De gematigde Rugova eist dat van Kosovo een internationaal protectoraat wordt gemaakt en dat na twee jaar wordt beslist over de toekomstige status binnen Servië en Joegoslavië. De keus gaat tussen autonomie binnen Servië, aansluiting van Kosovo bij Albanië en volledige onafhankelijkheid voor de Republiek Kosovo, al dan niet na een verdeling van het gebied tussen de Serviërs en de Albanezen. De Serviërs willen van geen van deze opties iets weten: voor hen moet Kosovo blijven wat het is, onderdeel van Servië. Elke vorm van internationale bemoeienis met het probleem is tot dusverre door Belgrado van de hand gewezen. Pas onlangs konden mensen als de Amerikaanse Bosnië-gezant Robert Gelbard en OVSE-commissaris voor de minderheden Max van der Stoel het gebied bezoeken.

De jarenlange impasse is vanaf 1996 koren op de molen geweest van diegenen onder de Albanezen die betogen dat het passief verzet tot niets heeft geleid en dat de onderdrukte Albanezen moeten overgaan tot actief verzet. De belangrijkste politicus die geen heil meer ziet in het passief verzet van Ibrahim Rugova is Adem Demaçi, de man die lang bekend heeft gestaan als de 'Mandela van Joegoslavië', omdat hij 28 jaar lang om zijn denkbeelden gevangen is gehouden. Hij heeft een eigen partij opgericht, de Parlementaire Partij van Kosovo (PPK).

Belangrijker echter is de opkomst van een schimmige ondergrondse organisatie, het Ushtria Çlirimatare e Kosovas (UÇK), het Kosovar Bevrijdingsleger. Het UÇK moet van Rugova's beleid niets hebben en zoekt zijn heil bij geweld. UÇK-terroristen hebben sinds 1996 zeker dertig moorden gepleegd op Servische politiemannen en bestuurders en Albanese collaborateurs. Het UÇK geniet brede steun bij de bevolking en beheerst grote delen van Kosovo: ten westen van de hoofdstad Priina is het heer en meester. Daar patrouilleert zelfs de Servische politie nauwelijks nog, of alleen bijgestaan door Servische militairen.

De afgelopen weken heeft de situatie in Kosovo zich door het optreden van het UÇK toegespitst. De acties van het Bevrijdingsleger hebben zijn aanhang onder de bevolking vergroot en Ibrahim Rugova is steeds irrelevanter geworden. Zelfs Rugova's rechterhand, premier Bujar Bukoshi, heeft afstand genomen van de profeet van het geweldloos verzet: door diens beleid, zo schreef hij in december, is Kosovo “een gijzelaar van onze roestige, levenloze sectarische politiek, opgeschrikt door illusoire hoop, onder de hiel van de wellustige Servische criminelen en cynisch in de gaten gehouden door de waarnemers van de beschaafde wereld”.

Het Servische regime heeft zich als reactie op dat groeiende Albanese ongeduld verder geharnast en ingegraven. Volgens bronnen in Priina zijn reservisten uit andere delen van Servië naar Kosovo gestuurd en zijn op grote schaal wapens uitgedeeld aan Servische inwoners, met name aan de leden van de extremistische, fel-nationalistische vereniging van Serviërs en Montenegrijnen in Kosovo, Bor.

Zo explosief is de situatie dat de buurlanden zich al enkele weken voorbereiden op een explosie en op de in dat geval verwachte massale vlucht van zeker 400.000 Albanezen - want dat in het geval van geweld het Servische leger (bijgestaan door Servische paramilitaire extremisten) meedogenloos zal toeslaan betwijfelt niemand. Macedonië - dat bang is dat een explosie in Kosovo leidt tot een uitbarsting van het ongenoegen bij zijn eigen omvangrijke Albanese minderheid - heeft in het geheim al een 'corridor' gevormd om die vluchtelingen uit Kosovo snel naar Albanië door te sluizen. De corridor loopt langs de hoofdstad Skopje naar Tetovo en Gostivar, en vandaar naar Debar en Peskopeia in Albanië.