Overplaatsing

“Om drie uur word je overgeplaatst naar een ander blok. Zorg dat je cel schoon is en je spullen klaar staan, die van de inrichting moeten hierin.”

Ik krijg een plastic bakje in mijn handen gedrukt. Uit het schoonmaakhok pak ik de stofzuiger en raas door de cel. Mijn spullen, wat ondergoed, sokken, scheergerei, een broek en een paar T-shirts, leg ik op het tafeltje, de bajesspullen, beddegoed, drie onderbroeken, twee paar sokken, vier handdoeken, een theedoek en een washandje smijt ik in het bakje.

Om 2.45 uur is er schadecontrole. Twee bewakers kammen de hele cel uit. Gewichtig, hun notitieboekjes in de aanslag, lopen ze rond en hun opgefokte manier van doen staat in geen verhouding tot het armzalig beetje meubilair dat er staat. Vooral de duurdere spullen krijgen hun aandacht. De televisie wordt uitvoerig betast en beklopt en alle kanalen worden getest, het Moulinex koffiezetapparaat uitgeprobeerd, het matras omgekeerd, en steeds als een stuk inventaris wordt goedgekeurd, zetten ze een kruisje in hun boekje.

Bij het bestek is het mis.

“Wat is dat”, vraagt er eentje. Hij wijst naar een barst in mijn bord.

“Die zat er al in toen ik kwam”, protesteer ik.

Als je maar ƒ 27,50 per week verdient, is een boete van ƒ 10,- heel wat. Fluisterend overleggen ze met elkaar en ik vrees het ergste. Maar het valt mee, het bord wordt in de vervangkolom gezet, ik hoef niks te betalen.

Om 2.55 uur wordt er een boodschappenkarretje voor mijn deur gezet. “Alles hierin en vergeet de weekverstrekking niet.” Gehoorzaam stop ik mijn spullen erin en leg de wekelijkse portie gratis rijks-pindakaas, -koffie en -boter er bovenop.

Daarna mag ik niet meer naar binnen. “Anders moeten we weer gaan controleren.”

Klokslag drie uur word ik naar de uitgang gesommeerd. Langzaam sjok ik met mijn karretje langs de cellen, het is doodstil, alle raampjes zijn geblindeerd, nergens een hond te bekennen.

Bij 24 houd ik stil en licht het luikje snel op. Als Gerard, mijn beste bajesvriend, me ziet, sprint hij naar de deur en brengt zijn gezicht voor het luikje.

“Ik moet naar een ander blok”, schreeuw ik gehaast. Veel tijd hebben we niet en luikje lichten kost al gauw een aantekening.

“We houden contact”, brult hij, grimast wat en maakt een V-teken.

Met een klap sla ik het luikje weer dicht. Ik heb geen idee wanneer ik hem weer zal zien en als ik een verkeerd rooster krijg, zal ik hem hoogstwaarschijnlijk nooit meer zien. Want als ik over een jaar vrij ben, moet hij er nog vijf en tegen zoveel tijd is geen enkele bajesvriendschap bestand.

Bij wijze van afscheid begint hij op zijn deur te rammen en in een mum van tijd bonkt en schreeuwt het hele blok mee. De meesten hebben geen flauw idee waarom, maar als je zo lang en zo vaak alleen bent doe je al gauw met elk geluid mee.

“Het is weer raak”, grijnst de bewaker. Hem doet het niks. Wie weet hoe vaak hij dit allemaal heeft meegemaakt.

“Van de Inkom voor de centrale, de A-23 komt eraan”, mompelt hij bij de uitgang in zijn walkie talkie.

Nog een keer kijk ik achterom. Veertig dagen heb ik er gezeten. Onverschillig wuiven de bewakers me na. Veel is het tussen ons niet geworden. Verder dan 'thee, maaltijd, sport, urinecontrole, naar de bibliotheek, heb je nog wat?, lichten aan, lichten uit', zijn we niet gekomen.

Bij de X-ray staat mijn opvolger al klaar. Hij heeft net zo'n karretje als ik en ook zo'n norse bewaker en eigenlijk is er helemaak niks veranderd: de A23 is er nog steeds; hij is gewoon nooit weg geweest.