Nuis, verwerf die handschriften

Bij de viering van haar tachtigste verjaardag zei Hella Haasse: “Ik hoop dat mijn werk nog een poosje blijft bestaan.” En dat ze het zo heerlijk vond dat haar oeuvre gewoon in druk was. Dat is inderdaad bijzonder. De meeste oudere schrijvers met omvangrijke oeuvres kunnen haar dat niet na zeggen.

Van de meer dan veertig titels van Willem Brakman liggen maar zes in de boekwinkel. Van Alfred Kossmanns ongeveer evengrote oeuvre zijn zeven in druk. Gerrit Krol schreef ook ruim veertig boeken waarvan er 13 verkrijgbaar zijn. En van S. Vestdijk, een van de grootste Nederlandse schrijvers van deze eeuw - volgens sommigen dé grootste - wiens oeuvre de spreekwoordelijke omvang van een gebergte heeft, kan men nog 14 romans in de winkel aantreffen.

Nu is 14 romans ook weer niet weinig, en in de bibliotheken staan wel 80 titels van Vestdijk op de planken die daar niet alleen maar staan te slapen. Vestdijk was een grote schrijver en dat is hij nog steeds, los van het, procentueel, kleine aantal boeken van hem dat nog in druk is. Vondel is ook niet minder groot omdat niet iedereen hem leest. De dichtregels van Willem Kloos moeten in nog maar weinig hoofden bestaan, Ter Braak en Du Perron hebben een legendarische reputatie maar niet bepaald een daarmee corresponderend lezerspubliek en zo kan men nog wel even doorgaan. Toch maken al deze schrijvers een belangrijk deel uit van onze cultuur, onze canon, onze (literaire) geschiedenis. Ook al worden ze weinig herdrukt. Ook al staan ze, want dat betekent hun verhoudingsgewijs geringe aanwezigheid, niet op de top tien.

Onlangs vertelde Mieke Vestdijk in deze krant dat haar inkomsten uit de auteursrechten van Vestdijk zijn gezakt tot onder de tienduizend gulden per jaar. Daar kan ze niet van leven. Dus wil ze handschriften gaan verkopen. Alles is toch netjes uitgegeven, zei ze: “Nu is het alleen nog maar een hoop papier.”

Dat laatste is natuurlijk niet waar. De Vestdijkcollectie in het Letterkundig Museum wordt heel regelmatig geraadpleegd omdat handschriften veel zeggen over de werkwijze van een schrijver, over het ontstaan van romans en gedichten, over techniek en stijl. Vestdijk maakte voor hij aan een roman of een groot dichtwerk begon altijd een schema met personages, een hoofdstukindeling, korte scènes, elementen die hij dacht te kunnen gebruiken, verwijzingen naar geraadpleegde literatuur, astrologische tekens om een korte karakter- of sfeeraanduiding te geven. Wat hij gebruikt had streepte hij door. Die schema's zijn schitterend om te zien en ware schatkisten voor wie meer wil weten over ontstaan en opzet van een bepaald werk.

En dan is er nog de emotioneel-culturele waarde: het is onvoorstelbaar dat het Letterkundig Museum niet in het bezit zou zijn van het handschrift van Terug tot Ina Damman of Else Böhler, Duits dienstmeisje. Dat zou regelrecht armoedig zijn.

Toch bestaat die kans nu. Niet omdat mevrouw Vestdijk die handschriften niet aan het museum wil verkopen. Dat wil ze graag. Maar van de vijf ton die het museum ervoor kan betalen kan zij niet leven. Bovendien staan die ook in geen verhouding tot de geschatte waarde op de vrije markt. Een medewerker van het Haarlemse veilinghuis Bubb Kuijper, dat de brieven die Willem Pijper aan Vestdijk schreef in de verkoop gaat brengen, schatte de waarde van de collectie Vestdijkhandschriften op enkele miljoenen. Trouw wist onlangs te melden dat mevrouw Vestdijk twee miljoen heeft gevraagd voor het geheel.

Als er verkocht wordt zal er geen geheel meer zijn. Particulieren kopen over het algemeen geen handschriften om die in bruikleen aan het Letterkundig Museum te geven en de kans is vrij klein dat er één koper zal zijn voor alles. Dat betekent dat de collectie uit elkaar valt en grotendeels of helemaal ontoegankelijk wordt voor onderzoek.

Onlangs is er commotie ontstaan over het behoud van het schilderij 'Paysage près d'Aix avec la tour César' van Cézanne, dat in bruikleen was bij museum Boijmans Van Beuningen dat beschouwd wordt als een onlosmakelijk onderdeel van de Collectie Nederland. Het hoort zo bij het ontstaan van allerlei Nederlandse kunstwerken, dat het onverdraaglijk zou zijn als het voor Nederland verloren ging. Aad Nuis, staatssecretaris van Cultuur, had er 6,5 miljoen voor over. Dat was veel, maar niet genoeg. Dankzij particulier initiatief blijft de Cézanne gelukkig toch.

Zes en een half miljoen had Nuis over voor een schilderij van een Franse schilder. Maar voor de handschriften van een van onze grootste schrijvers komt maar een half miljoen op tafel.

In gevallen als deze zijn er altijd mensen die zeggen: “Mevrouw Vestdijk hoort die handschriften gewoon aan het Letterkundig Museum te schenken.” Het zou mooi zijn als dat kon. Maar mevrouw Vestdijk moet ook ergens van leven. En zij, en haar twee kinderen, hebben een heel waardevol bezit. Als Vestdijk geen schrijver maar schilder was geweest zou niemand vinden dat zijn erfgenamen verplicht waren om alle schilderijen aan de staat te schenken. Nu ligt dat niet helemaal hetzelfde, want een handschrift is niet het kunstwerk zelf, dat is het boek en die boeken 'hebben' we al. Toch horen de handschriften er wel bij, misschien zoals tekeningen en voorstudies van schilderijen.

Uit de manier waarop mevrouw Vestdijk te werk gaat, valt af te leiden dat zij hoopt op een oplossing. Ze heeft in eerste instantie, in alle stilte, het Letterkundig Museum benaderd. Dat heeft tot niets geleid. Nu biedt ze, om duidelijk te maken dat het haar ernst is, handschriften te koop aan, maar geen handschriften van Vestdijk, nog. Dat zal ze uiteindelijk wel doen, maar het is niet het eerste wat ze doet.

Ze doet het omzichtig, misschien in de hoop dat er nog iets gebeurt wat het onnodig maakt om verder te gaan. Misschien in de hoop dat Nederland toch een land zal blijken te zijn dat belang hecht aan zijn schrijvers, ook als ze niet (meer) op de top tien staan. Voor het handschrift van De Avonden was uiteindelijk ook geld. En dat werd om heel wat minder dringende redenen verkocht.

Het is de wens van een schrijver om te blijven. Dat lukt niet altijd, maar sommige schrijvers zijn groot genoeg om ze, hoe dan ook, tegen de vergetelheid te beschermen. Dat is niet alleen schrijverswens, maar ook de wens van serieuze lezers.

Aad Nuis is altijd zo'n serieuze lezer geweest. Het kan niet anders of hij wil nu ook trouw zijn aan iets dat hij nooit heeft bezeten. Dus hij gaat die handschriften voor ons verwerven. Hij heeft toch net zes en een half miljoen over.