Jongens van Jan de Witt

De verschillen tussen schaatsers en voetballers, zo bleek de afgelopen weken weer eens, zijn levensgroot. Schaatsers roepen een behaaglijk gevoel van trots en huiselijkheid op. Het zijn frisse jongens en meisjes uit boerendorpjes waar we nog nooit van hadden gehoord en waar de buren best even willen aanwijzen op welk slootje Gianni, Marianne of Ids van opa of oma heeft leren schaatsen. Schaatsers zijn, bij uitstek, de moderne jongens en meisjes van Jan de Witt.

Jongens van Jan de Witt - de uitdrukking was de afgelopen weken regelmatig te horen en lezen, zij het dat men 'Witt' meestal met één t schrijft. De herkomst lijkt, zo op het eerste gezicht, klaar als een klontje. Johan de Witt (1625-1672) was de onkreukbare raadpensionaris van Holland. Hij versterkte de Hollandse vloot zodanig dat die de verenigde vloten van Frankrijk en Engeland kon verslaan. Vooral zijn gruwelijke dood is bekend gebleven. Samen met zijn broer Cornelis werd hij op 20 augustus 1672 in Den Haag door het volk gelyncht. Minder bekend is dat het plebs daarbij werd aangevuurd door enkele notabelen, onder wie admiraal Tromp en een paar hervormde predikanten, en dat de stedelijke schutterij met de armen over elkaar toekeek.

De uitdrukking jongens van Jan de Witt is in 1852 voor het eerst aangetroffen, in het onvolprezen tijdschrift De Navorscher. Een marineofficier vroeg daar naar de herkomst en de juiste betekenis van deze zegswijze. Er bleek ook een liedje te zijn dat Hulde aan Jongens van de Wit heet. In vier coupletten worden de goede eigenschappen bezongen die iemand tot een 'jongen van de Wit' maken. De vier overige coupletten sommen allerlei nare eigenschappen op. Zo luidt het vierde couplet: Maar die zich 't hoofd met reuk bewatert, / En met verwijfden opschik prijkt, / Een paauw gelijk van glorie snatert, / Of als hansworst in 't ronde strijkt, / Die stroozak, zonder merg of pit, / Dat is geen jongen van de Wit.

De marineofficier kreeg verschillende antwoorden. Eén inzender meende dat de herkomst moest worden gezocht bij het oorlogsschip 'Joan de Witt', waarvan de bemanning, onder het gezag van commandeur Wolterbeek, omstreeks 1800 bij Texel had uitgeblonken door goed gedrag, vlugheid en geoefendheid. Een ander legde, zonder enige onderbouwing, een verband met de Amsterdamse schilder Jacob de Wit (1696-1754). Veel logischer was echter de verklaring dat de uitdrukking moest worden uitgelegd als “ferme, flinke jongens, als een matroos tijdens het bestuur van raadpensionaris Johan de Witt”. Deze uitleg was dan ook decennialang in onze spreekwoordenboeken te vinden.

In 1902 werd dit alles op z'n kop gezet door R.A. Kollewijn, indertijd directeur van een HBS in Amsterdam en de grootste voorvechter van spellingvereenvouding. In het tijdschrift Taal en Letteren merkte Kollewijn als eerste op hoe vreemd het was dat de uitdrukking pas halverwege de negentiende eeuw was gevonden, terwijl De Witt ruim anderhalve eeuw eerder regeerde. Voor de zekerheid schreef hij een aantal deskundigen aan, maar nee, ook zij waren de uitdrukking nooit in teksten uit de zeventiende of achttiende eeuw tegengekomen.

Er was nog iets anders dat Kollewijn deed twijfelen. Volgens C. Busken Huet, die de kwestie in 1882 zijdelings ter sprake bracht, bewees de uitdrukking jongens van Jan de Witt dat de raadpensionaris als geen ander bij het volk populair was gebleven. Maar Johan de Witt was helemaal niet geliefd. Sterker nog: hij werd door het volk gehaat en gelyncht. Dat matrozen zich liever jongens van Jan de Witt noemden dan jongens van onomstreden volkshelden als Tromp of De Ruyter was dan ook wel erg onwaarschijnlijk.

In de beroemde avonturenroman Der Abentheuerliche Simplicissimus van Hans Grimmelshausen uit 1669 las Kollewijn iets dat hem op een ander idee bracht. Er staat daar ergens: “Zo bracht ik mijn buit en gevangenen de volgende morgen met succes naar Soest, en legde met deze strooptocht meer eer en roem in dan ooit tevoren; iedereen zei: 'Dies gibt wieder einen jungen Johann de Werd!' [zoiets als 'Daar hebben we weer een jonge Johann de Werd!'] Wat mij een enorme opsteker gaf.”

Wie was die Johann de Werd, met wie men een stoutmoedig krijgsman vergeleek? Johann van Werth - zoals we nu schrijven - werd omstreeks 1600 in Duitsland geboren in een boerengezin. Van eenvoudig huursoldaat wist hij op te klimmen tot veldmaarschalk. Hij was een van de opmerkelijkste ruitergeneraals in de Dertigjarige Oorlog en kreeg uiteindelijk de titel van rijksgraaf. Vooral in Frankrijk ging hij als een beest te keer. Zijn ruiterij maakte grote streken van Noord-Frankrijk onveilig en in 1636 deed hij een vergeefse poging Parijs te veroveren.

Frankrijk sidderde voor de Duitse krijgsheer. Om stoute kinderen in het gareel te brengen, zong men van 'Jean de Wet' “die de koning van Frankrijk in tranen bracht” en 'le cardinal' (Richelieu) deed beven. En in Vlaanderen zei men tegen ondeugende kinderen: “braaf zijn want Jan de Weert is daar”.

Een en ander bracht Kollewijn tot de volgende theorie: de Duitse krijgsheer - in sommige streken een boeman - zal bij de katholieken in het oosten van ons land juist hoog in aanzien hebben gestaan. Dat de uitdrukking een jonge Johann de Werd of jongens van Johann de Werd niet in Nederlandse teksten uit de zeventiende of achttiende eeuw is gevonden, komt volgens Kollewijn omdat die voor het grootste deel door protestantse schrijvers uit de westelijke provincies zijn geschreven. Zij kenden die uitdrukking simpelweg niet. Op een gegeven moment wist men echter niet meer wie Johann de Werd was. Daarom werd zijn naam vervangen door - zo men wil: verbasterd tot - 'Jan de Witt'.

Inmiddels is Kollewijns theorie algemeen geaccepteerd: jongens van Jan de Witt waren oorspronkelijk jongens van Johann van Werth. Men mag hier echter niet uit concluderen dat Nederlandse schaatsers eigenlijk Duitsers zijn.