Introspectie van Mogwai is keihard

Concert: Mogwai. Gehoord: 1/3, Paradiso, Amsterdam. Herhaling: 12/4 Doornroosje, Nijmegen; 13/4 Vera, Groningen.

De meest diepgaande en ingrijpende popmuziek van het moment wordt gemaakt door het Schotse viertal Mogwai, dat gisteravond in het Amsterdamse Paradiso een indrukwekkend optreden gaf. Hun nummers behandelden thema's als verdriet, pijn, berusting en introspectie. En dat vrijwel zonder woorden. Slechts in één nummer werd gezongen: in de overige stukken kwamen alleen twee gitaren, bas en drums aan het woord.

Wat Mogwai daarmee voor elkaar kreeg was verbazingwekkend. Vanaf de eerste tonen, kalm, helder en melodieus gitaarspel met zachte bastonen en een licht op de bekkens aangetikt ritme, wist de groep het publiek te boeien en stil te laten luisteren. In dat eerste nummer was al de typische Mogwai-stijl te horen: een ingehouden begin, dat met telkens herhaalde, spannende partijen een trance-achtige sfeer opbouwt; de luisteraar wordt vervolgens plots verder die trance ingesleurd door een onverhoeds ingezette overgang naar een overdonderend harde losbarsting van geluid. De elektrische gitaren en basgitaar worden met behulp van effect-apparatuur keihard versterkt en vervormd, de drummer slaat hard op zijn trommels. In het kleine bovenzaaltje van Paradiso was het geluidsvolume op zulke momenten bijna ondraaglijk hard.

Veel van de nummers hadden zo'n opbouw: een ingetogen begin en daarna een uitbarsting van noise. Toch was het meer dan een trucje: de harde stukken brachten een verdere verdieping in de knap opgebouwde, meeslepende nummers. De dof loeiende en scherp gierende gitaren verklankten de intense gevoelens die in het leven onverwacht intens kunnen toeslaan: verlies, eenzaamheid, depressie. Melodramatisch werd de muziek niet, doordat de geconcentreerd spelende muzikanten de effecten goed doseerden.

Het werd een aangrijpend optreden, terwijl de groep een tamelijk saaie aanblik bood, vaak met de rug naar het publiek gekeerd spelend, een uitdrukkingsloze blik op de nuchtere Schotse gezichten. Een uitzondering was gitarist Stuart Leslie Braithwaite, die expressiever was en meer contact met de toehoorders maakte; in de heviger stukken begon zijn lichaam soms ongecontroleerd te schokken, terwijl hij met snelle, heftige bewegingen de snaren van zijn gitaar mishandelde. In andere nummers wisselde hij van instrument met de bassist, en speelde hij, op zijn knieën gehurkt, fraai melodieuze baspartijen.

Het optreden eindigde met een schitterende uitvoering van Mogwai Fear Satan, het lange nummer dat de vorig jaar verschenen tweede cd Young Team afsluit. Aan het eind legde Braithwaite zijn gitaar neer, pakte een paar drumstokken en ging het ritme meeslaan op één van de trommels. Op een extra snaredrum, die voor het drumstel lag, was intussen al een gastmuzikant mee aan het meppen. Toen de bassist en gitarist wegliepen, gingen de drie drummers nog een tijdje door met het snelle, enerverende ritme - een ontlading, als passend eind van een louterende ervaring.

    • Sietse Meijer