Ian McCulloch gaat slordig om met zijn roemrucht verleden

Concert: Echo & The Bunnymen. Gehoord: 28/2 Paradiso Amsterdam.

Groots en meeslepend, was Echo & The Bunnymen toen de new wave-groep uit Liverpool in 1980 de befaamde concertreeks gaf in een decor van camouflagenetten. Het debuutalbum Crocodiles werd met veel galm op de wereld losgelaten en zanger Ian McCulloch koppelde het rock & rollgevoel van Jim Morrison aan de theatrale voordracht van Jacques Brel.

In bepaalde opzichten klonk Echo & The Bunnymen nog grootser en meeslepender dan tijdgenoten U2 en Simple Minds, de groepen die er met het grote succes vandoor gingen terwijl de voor het toneellicht geboren McCulloch ('Ik ben een neef van John Lennon!') zich met een cultstatus tevreden moest stellen. Hij probeerde het als solo-artiest en wilde een crooner zijn die de talenten van Frank Sinatra en Leonard Cohen in zich verenigde, maar na een hernieuwde samenwerking met gitarist Will Sergeant in de groep Electrafixion werd Echo & The Bunnymen opnieuw opgericht.

De naam is blijven hangen bij het new-wavepubliek van toen, want Paradiso was vrijdag uitverkocht terwijl het recente album Evergreen niet meer dan een redelijke benadering van het oude geluid laat horen. Er bestond geen twijfel over het nostalgisch gehalte van de avond, zeker toen McCulloch met veel stemverheffing meteen zijn oude lijflied Rescue inzette.

En toch was het niet meer de grootse en meeslepende groep van toen, onder de camouflagenetten. Nu hij zijn gitaar aan de wilgen heeft gehangen, lijkt de als vanouds in zwart leer gehulde Ian McCulloch op het Britse neefje van Joey Ramone: houterig bewegend, slordig zingend en nauwelijks betrokken bij het repertoire van evergreens dat er in rap tempo doorheen werd gejaagd. Het was een botte vertoning, met muzikanten die de kortste weg naar huis zochten en een wazige zanger die zijn heil zocht in de mysterieuze kartonnen bekertjes die hem na elk nummer werden aangereikt, nota bene door een roadie in een Simple Minds T-shirt.

Nu disco weer een hippe stroming in de dansmuziek dreigt te worden, was het pijnlijk om te horen hoe gedateerd de stramme disco-invloeden in songs als The Cutter nu klinken. De betreurenswaardige indruk die Echo & The Bunnymen achterliet was die van een zwoegende werkmansploeg, geen haar beter of slechter dan andere golden oldies als de nog immer voor al uw bruiloften en partijen beschikbare Freddy & The Dreamers, maar zonder een druppel inspiratie.