Frans Poptie over Tachtig

DEN HAAG, 2 MAART. “Toen ik 65 werd, heb ik tegen mijn orkestleden gezegd: 'jongens, ik ga minderen - als jullie mij er in de toekomst af en toe nog bij willen hebben, zal ik graag meedoen, maar ik wil niet meer de leiding hebben, dat wordt me te zwaar.' Tegelijk gaf me dat een grotere vrijheid om ook weer eens met anderen te werken, liefst een trio of een kwartet met oudere collega's. Toen ik 70 werd, ben ik wéér gaan minderen. En nu ik bijna 80 ben, treed ik nog maar sporadisch op.”

Frans Poptie, de meesterviolist in het swing-genre, wordt morgen 80 jaar. Van een huldiging is geen sprake, maar hij maakt niet de indruk daaronder gebukt te gaan. “Hemel me niet te veel op, daar heb ik een hekel aan”, zegt hij dan ook. “Ik ben niet zo'n feestvarken.” Met niet meer dan een glimlachje en een wegwerpend gebaar reageert hij op een opmerking over het vederlichte raffinement van zijn spel.

“In elk genre dat ik speel, zijn er veel betere violisten. In de swing waren Stéphane Grappelli en Svend Asmussen technisch veel beter dan ik. En wat de Amerikanen betreft: als Stuff Smith zijn viool stemde, swingde het al. Wat je zou kunnen zeggen, is dat ik veelzijdig ben. Ik heb altijd alles gespeeld wat men van me wilde horen, en bijna alles met groot plezier. Maar ik vind mezelf in geen enkele van al die genres een uitblinker. Natuurlijk apprecieer ik de complimenten die ik heb gekregen, maar zelf zie ik mijn werk met andere ogen: eigenlijk vind ik dat het me veel te gemakkelijk is afgegaan.

“Als ik alleen van de swing had moeten leven, had ik geen droog brood te eten gehad. En dat wilde ik ook niet. De swing is gewoon iets wat ik, net als veel andere lichte muziekgenres, op een keer te horen kreeg en meteen probeerde na te spelen. Maar ik speel net zo lief een tango of een salonstukje of een Frans nummertje als La mer of C'est si bon, of een country-viooltje op een plaat van BZN, of een stukje operettemuziek. Allround muziek, daar komt het op neer. In mijn jeugd ging ik naar de volksconcerten van het Utrechts Symfonie-orkest onder leiding van Willem van Otterloo, waarbij Theo Olof nog stond te spelen in een korte broek. Ik denk wel dat ik in het klassieke genre iets had kunnen bereiken, want met mijn vioollessen had ik niet veel moeite. Maar toen er thuis geen geld was voor het conservatorium, ben ik de lichte kant op gerold. Ik ben begonnen bij een salonorkest, dan moest je alles kunnen spelen wat het publiek wilde horen. En zo is het voor mij gebleven.

“Drie jaar lang ben ik invalviolist bij de Hoofdstad Operette geweest. Acht keer ben ik met het tango-orkest van Malando naar Japan geweest. Tien jaar zat ik in het KRO-orkest van het programma Tussen 12 en 2. Het enige waar ik wel eens een hekel aan heb gehad, was het spelen van carnavalsmuziek. Verder heb ik alles met plezier gedaan. Om die reden is Borrelnootjes van Tonny Eyk van alle platen waaraan ik heb meegewerkt mijn favoriet. Daar staat van alles op, van swing via Hongaars tot een Duitse tango. In elk genre kunnen ze daarop iets van me horen. Voorkeuren heb ik altijd alleen gehad in de muziek waar ik graag naar luister, maar veel minder in de muziek die ik speelde.

“De negende Malando-tournee naar Japan heb ik niet meer meegemaakt. Ik heb last van adervernauwing in mijn benen, waardoor ik niet meer zo makkelijk kan staan en lopen. Voor het optreden heb ik nu zo'n demontabel drumkrukje, dan kan ik zittend spelen.

“ Muzikaal gesproken heb ik mijn hoogtepunt gehad. Daarom ga ik ook niet meer in op aanbiedingen om nog eens een cd te maken. Ik heb rodelampjesvrees, ik ben bang geworden voor het rode lampje in de opnamestudio omdat mijn zekerheid een beetje weg is. In mijn spel voel ik me niet 100 procent meer. De grote tijd is voorbij.”