Ethici te vroeg over varkenshart

Xenotransplantatie is “zo vreemd, dat de essentie van het menszijn, de aard en het wezen van ons bestaan ermee ter discussie komen te staan”, aldus Anja Hiddinga en Marli Huijer (NRC Handelsblad, 27 februari).

Xenotransplantatie is het overbrengen van weefsel van dieren naar mensen, een techniek die de afgelopen jaren steeds weer opduikt in de media. De Gezondheidsraad heeft in een recent rapport geoordeeld dat xenotransplantatie ethisch aanvaardbaar is, maar vooralsnog te onveilig voor klinisch gebruik.

De discussie is een paar jaar geleden begonnen doordat een aantal kleine bedrijven erin slaagde menselijke weefseleigenschappen over te brengen op varkens, via genetische manipulatie.

Het probleem waar alles om draait is het tekort aan organen voor transplantatie. Laten we dit eens vanuit een ethische invalshoek onder de loep nemen. Het blijkt dan dat er wel degelijk genoeg organen beschikbaar zouden kunnen zijn, als er fatsoenlijke wetgeving zou zijn, als alle ziekenhuizen en artsen zich voorbeeldig zouden opstellen om die organen te verkrijgen, en als mensen die niets hebben tegen het donorschap zich ook allemaal als donor zouden opgeven. Dit alles is niet het geval, want de ideale maatschappij bestaat niet.

Maar dit zijn ook bij uitstek ethische problemen, waarbij de door Hiddinga en Huijer naar voren gebrachte punten afsteken als academisch gefröbel. Wel goed om in de publiciteit te komen, natuurlijk. Laat ethici zich bezighouden met de vraag waarom een in principe oplosbaar probleem in de praktijk onoplosbaar wordt door emoties en machinaties, variërend van verdriet tot onverschilligheid en politieke machtspelletjes. Hierdoor sterven mensen onnodig te vroeg. DAÀ aàr ligt het zwaartepunt.

Misschien kunnen we in de toekomst dan ook verschoond blijven van ondoordachte opmerkingen zoals die over het besteden van geld bestemd voor experimenteel medisch onderzoek aan 'onderzoek naar het accepteren van de dood'. Dit is een belediging voor mensen die ziek zijn en meedoen aan medisch onderzoek, en voor mensen die overleven dankzij medisch onderzoek en medische technologie, mensen die de dood juist niet geaccepteerd hebben. Hiermee suggereren Hiddinga en Huijer dat 'accepteren van de dood' beter is dan willen overleven. Hoe stellen zij zich voor dat een doodzieke patiënt ervan overtuigd moet worden dat sterven beter voor hem is? (Arts: dat u denkt dat u wilt blijven leven, meneer, dat is slecht voor u.)

Ik denk dat Hiddinga en Huijer de essentie van de problematiek rond de transplantatiewachtlijsten laten liggen ten gunste van een modieus onderwerp zonder werkelijk belang. Voor de mensen op die wachtlijsten ondertussen lost dit alles niets op. Een laatste ongenoemd gebleven ethisch punt draait om het donorformulier dat iedere Nederlander van 18 jaar of ouder binnenkort toegezonden krijgt. Het terugsturen ervan moet massaal gebeuren wil het nieuwe donorregistratiesysteem een succes hebben. De verwachtingen zijn vooralsnog niet hooggestemd. Maar daar hoor je ethici niet over.