De auto en de trein als inspiratiebron

Maatstaf nr. 1: Transport. Uitg. De Arbeiderspers, 78 blz. Prijs ƒ 22,50.

De nieuwe Maatstaf heeft als thema 'transport' en als je het nummer leest denk je: ach, leefde Piet Paaltjens nog maar. Die schreef rond 1852 het gedicht 'Aan Rika', waarin hij zijn liefde verklaarde aan een meisje dat hij eenmaal had gezien, in een sneltrein die de zijne 'in volle vaart' passeerde: 'De kennismaking kon niet korter zijn'. Bovendien is 'Aan Rika' ook een lofzang op de trein, en op zijn snelheid: 'Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp? / Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn, / Dan, onder helsch geratel en gestamp, / Met u verplet te worden door één trein?'. Dat was nog eens liefde!

Tegenwoordig laten Nederlandse dichters en prozaïsten zich nog maar weinig door vervoermiddelen inspireren - de passie ontbreekt dan ook een beetje in dit Maatstaf-nummer. Dat blijkt al uit het enigszins melige stuk van Maatstaf-redacteur Gert Jan de Vries, die in een poging 'transport in de literatuur' te inventariseren, wat Nederland betreft niet veel verder komt dan de fiets in Tim Krabbé's De Renner en het brommertje in Rogi Wiegs De Overval. Op dat signalement is één uitzondering en die wordt dan ook meteen met een heel artikel geëerd: Remco Campert, de Rails-columnist die regelmatig in paginagrote advertenties van zijn liefde voor de Nederlandse Spoorwegen getuigt. In Camperts poëzie is daarvan echter niet veel terug te vinden, zo valt op te maken uit het artikel van Piet Gerbrandy. Campert wandelt liever, ongeveer net zo graag als hij drinkt: 'ik heb veel moeten lopen en drinken / om deze lucide staat van staarzin te bereiken' schreef hij al in Dit gebeurde overal.

Dat deze Maatstaf, ondanks het ontbreken van interessant proza of opmerkelijke poëzie, toch de moeite waard is, komt vooral door een aantal aardige essays en reisverhalen. Allereerst is daar het stuk van André Klukhuhn, dat weliswaar vreselijk begint, ('Wie zoals ik voor zijn brood moet nadenken, of dat zomaar voor de aardigheid wel eens doet (-)') maar vervolgens een amusante uiteenzetting blijkt over 'verplaatsing'. Daarbij springt Klukhuhn van de hak op de tak, en passeert zo onder andere Zeno van Elea, de relativiteit van beweging, Nicolaas Beets en het autobeleid van de gemeente Amsterdam. Als je het uit hebt weet je nog niet wat Klukhun precies wil zeggen, maar het was wel amusant.

Dat geldt ook voor het artikel van Lodewijk Brunt, al komt dat vooral door de hoge curiositeitswaarde van zijn onderwerp: de trein die het noorden van Bombay, India met het zuiden van die stad verbindt. Brunt, die deze reis gedurende vijf maanden bijna dagelijks maakte, schetst er een angstaanjagend beeld van. Op de vier verschillende trajecten op deze lijn worden per dag ruim tweeduizend diensten verzorgd, elke drie minuten een trein, 'wat uit een oogpunt van veiligheid op de uiterste grens van het toelaatbare is'. Desondanks zijn de wagons structureel mudvol; hoewel van hogerhand is vastgesteld dat een trein maximaal tussen de 1800 en 2000 passagiers kan bergen is in de spitsiuren 5000 niet ongebruikelijk. En dat leidt tot merkwaardige situaties: 'De treinen puilen dan letterlijk uit. Hele trossen passagiers hangen buiten de rijtuigen, soms met de vingertoppen vastgeklemd aan kleine richeltjes en andere uitsteeksels. Onderweg valt er wel eens een passagier af, of slaat er iemand tegen een seinpaal te pletter.'

Met stukken als die van Klukhuhn en Brunt weet Maatstaf zich aardig te ontworstelen aan de impasse waarin het blad lang verkeerde; desondanks blijft het jammer dat de redactie zo nadrukkelijk voor (halve) themanummers heeft gekozen. Te veel auteurs gaan krampachtig 'binnen het thema' schrijven, zoals in dit nummer bij het enige thema-proza. Dat komt van Karin Kooij, volgens de personalia 'werkzaam bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat', en begint met de vraag 'Waarom laat ik me vervoeren?' Vervolgens volgt iets van een antwoord: 'Ik zit in de auto met een aandacht zonder object, een suffende alertheid die haakt aan vervoering. (-) Het genot wordt nog groter op vers asfalt, nog heviger op ZOAB, rijden in banen gescheiden door helderwitte strepen die in de zijspiegel, flic flac, voor een stroboscopische ervaring zorgen.' Volgens diezelfde personalia werkt Kooij 'niet bij de afdeling filebestrijding'. Waar dan wel - ik wil het niet weten.